elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kinnebak

kinnebak , kiènnebakke , vrouwelijk , kinnebak, wang. Dikke kiènnebakken: dikke wangen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kinnebak , kennebakke , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kennebakn , kennebàksken , 1 kaak, 2 want
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kinnebak , kummik , klemtoon op kum- , vrouwelijk , kummikke , kummikske , wang van een kind of van een varken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kinnebak , kinnebak , mannelijk, vrouwelijk , kinnebakke , kinnebėkske , kinnebak.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kinnebak , kinnebak , onderkin en wang.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kinnebak , kinnebak , kinbak , de , kinnebakken , Ook kinbak (Zuidoost-Drents zandgebied) = kinnebak, wang Hij sleug hum recht op zien kinnebak (Hijk), De kinnebakken van het zwien waren bar vet (Oos), IJ moet die kinbakken der even ofsnieden, die moet nog bij in de leverworst (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kinnebak , kinnebak , onderkaak.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kinnebak , kinnebak , kinnebak
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kinnebak , kinnebak , zelfstandig naamwoord , de; 1. onderkaak, beenderen van de onderkaak, kin 2. geslacht stuk van de wang van een varken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kinnebak , kinnebak , kinnebakkes , onderkaak
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kinnebak , [kin] , kinnebak , 1. kin; 2. onderkaak.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kinnebak , kienebak , zelfstandig naamwoord , kinnebak; deel van de varkenskop dat door de slachter apart kon worden afgesneden; Cees Robben - Pietje.. lustte iets van ’t kuuske../ Platte ribben.. zult of spek.../ Kaoikes.. balkenbrei [sic] of klöfkes.../ Kienebak soms uit de nek... (19550205)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal