elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klacht

klacht , [uiting van verdriet, onvrede] , kluft , en door eene zeer gemeenzame verwisseling der F en CH, klacht. Hier, gelijk elders, zijn klaft en klucht onder de jagers zeer in gebruik voor eene kud
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
klacht , klachte , (vrouwelijk) , klachten , klacht.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
klacht , klach , vrouwelijk , klachte , klėchske , klacht, ’n Vraoch is gein klach: vragen staat vrij. Zie ook: klaages.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
klacht , klachte , klacht
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
klacht , klaacht , zelfstandig naamwoord , klacht; Cees Robben – ’n Stille klaacht... (19580531)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal