elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klam

klam , klam , klamper, klamste , klam, vochtig; koud.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
klam , klam , vrouwelijk , klamme , klemke , kram; klimspoor.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
klam , klam , zelfstandig naamwoord , olie-achtige substantie, die een *klamvers of drachtige koe uit de spenen afscheidt (LPW: Lop, Cab) Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
klam , klam , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , klam Ik heb het klam an de hoed zitten ben bezweet (Sle), As het klam is, is het mitiene vochtig (Ruw), Het klamme zweet brak mij uut (Ass), De rogge is klam, wi’j niet nog even wachten met meien (Pdh), Het is de leste dagen zok klam wèer (Hgv), De waske mot nog even bie de kachel, want het vuilt nog wat klam aan (Vtm), zie ook klammig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klam , klam , vochtig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
klam , klaam , bijvoeglijk naamwoord , klam , klaam (trappen van vergelijking ontbreken)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
klam , klam , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , klamme , klemke , kram , VB: Klamme wörde gebruk vuur peundraod op bajpaole vas te hoûwe.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
klam , klam , klamme , bijwoord , nauwelijks, amper ook krië, kwaolik
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
klam , klam , klamp , bijvoeglijk naamwoord , iets wat vochtig en tegelijk plakkerig aanvoelt; onder andere witbrood dat met vocht geplet is tussen de vingers en vervolgens gebruikt wordt als aas om vissen te vangen; ook: taaj, taai, week; WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klam & klamp – frequent in Tilburg; WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klammig - frequent in Tilburg; WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klamzig / klamsig – Tilburg; WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klammes – zeldzaam midden Tilburg; WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klef – frequent ‘midden van het Tilb.’ [?]; WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - taai – ‘zeldzaam in het midden van het Tilb.’ [?]; WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - week – ‘zeldzaam in Tilburg’; Kubke Kladder - Uit 't klokhuis van Brabant 3 - 't Begon stillekes aon te donkeren. Uit de klamme grond klom 'n blauwe nevel, die de bosschen dicht spon. (Nieuwe Tilburgsche Courant 23 oktober 1929); H.A. Sterneberg s.j. - Me trekken treurend deur ons bosschen,/ waor naoktgeplunderd klam en kil—/ Och god, die 't nie ontloopen kossen—/ nou boom bij boomke sterven wil. (Uit: Een busselke Braobaansch, 1932)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal