elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klappen

klappen , klappen , klappen, een byzondere wyze van dorssen, wanneer de garven maar een weinigje gedorst wort om naderhand een tweede dorssing te ondergaan. Hier van: geklapte weit = tarw garven die deze klapping ondergaan hebben. *klappen, uitklappen, een kunstwoord van den Landbouw, het koorn half uitdorssen.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
klappen , klappen , praten. Men bezigt het schaarsch. Is algemeen in Zuidbrabant. Het beteekent hier ook veel praten, iemand verraden.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
klappen , klappen , (zwak werkwoord) , Zie de wdbb. – 1) Intransitief Een klappend geluid geven. || Zoenen dat ’et klapt. Je moete niet zo mit de deur klappen (de deur niet zo hard dichtslaan). – Vgl. dichtklappen, toeklappen. 2) Transitief verklappen, oververtellen. Zie een zegsw. op zuster.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klappen , klaapen , oppervlakkig dorsen, zodat nog koren in de aren achterblijft.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
klappen , klappe , werkwoord , Ook: met een klap vallen of doen vallen, smijten. | ’t Klapt van ’t water. Hai klapte teugen de grond. Hai klapte alles te water.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
klappen , klappe , klapde, haet of is geklap , klikken, verklappen; kloppen, overeenstemmen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
klappen , klappen , zwak werkwoord, onovergankelijk , praten IJ meugt niet oet de schoel klappen het geheim vertellen (Sti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klappen , klappen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. klappen Meester stun vrouger in de handen te klappen as de schoul angung (Eev), Eerpels klappen ze tegenwoordig ok dood d.i door het loof eraf te slaan (Nor) 2. applaudisseren Het volk vun de meziek zo mooi, zie deden niks as klappen (Eex) 3. vallen (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Laot dat ding niet klappen dan giet e kepot (Sle) 4. knallen, een klap geven Die kent het klappen van de zweep weet hoe het werkt (Gro), Die verjaordagen, dat klapt er ok aordig in, ie gift haost altied mèer oet as de broen eingelijk trekken kan (Hijk) 5. zichzelf onder het stappen op de voorhoeven trappen (Zuidoost-Drents zandgebied) Dat peerd klapt zuk in de veurhoeven (Sle), zie ook klappern 6. licht dorsen van garven (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) Ik moet nog even een paar bossen klappen, want ik moet nog wat voerstro hebben (Klv), zie ook bij klapen 7. slaan (Kop van Drenthe) Ik zal die muggen even dood klappen (Een)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klappen , klappen , werkwoord , klappen. Zie ook: knappen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
klappen , klappen , werkwoord , 1. een klap geven of het desbetreffende geluid doen ontstaan 2. applaudisseren 3. erop meppen, vechten 4. timmeren, bouwen van een huis, schuur of ander gebouw 5. vallend ineenklappen, samenklappen 6. in de papieren lopen, een hoog bedrag zijn 7. iets meedelen dat eigenlijk geheim is 8. (van een paard) zichzelf op de voorhoeven trappen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klappen , klappe , p praten.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
klappen , klappe , zwak werkwoord , klappe - klapte - geklapt , klappen (in de handen); R Klap et nie, dan bots et (mar) (uitroep: 'op hoop van zegen'); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  Klap et nie dan bóts et (Daamen - Handschrift 1916) - raakt het niet dan botst het: stemt het niet overeen, dan stuit het maar.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal