elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klapstoel

klapstoel , klapsjtoul , mannelijk , klapsjtuil , klapsjtuilke , vouwstoel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
klapstoel , klapstoel , de , klapstoel De kont dut mie zeer van het zitten op dei klapstoulen (Bov). Zie zaten op klapstoelen an marktaofels (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klapstoel , klepstoeltje , klapstoeltje in de kerk. inklapbare stoel.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
klapstoel , klapstool , zelfstandig naamwoord, mannelijk , klapsteul , klapsteulke , vouwstoel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeƫ Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal