elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klauw

klauw , klaauwgie , (klaauwtje, handje) draaijen is eene gewone uitdrukking bij het knikkeren. De liefhebbers verstaan er door met de hand draaijen bij het afschieten van de knikker.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
klauw , [gedeelte] , klauw , klouwe , het vierde gedeelte eener scheerweide; zie ald. Zoo ook = deel, gedeelte; “En dat er nooit ’n enkle klouwe Van uwe kudde, die wij weidt, Mag uit die kudde gaan verloren.” In de prov. Groningen beteekende klauw, voorheen geschreven: claauwe, clauw, clouw, zooveel als: buurtschap, deel van een kerspel. Door het rondgaan van de rechtspraak was clauw zooveel als: een aandeel in de jurisdictie; clauwbrieven noemde men de met onderling overleg der rechthebbenden opgemaakte lijsten der beurten. In sommige streken was dit ook van toepassing op het collatie- en jachtrecht. klauw, klouw, van: klieven = splijten vaneen scheiden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
klauw , klau , (vrouwelijk) , klauwe , klauw.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
klauw , klau , klaowe , (mannelijk) , klauw.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
klauw , klau , klou , (= klauw), oorspronkelijk = buurt, buurtschap (Kleefs) en geschreven: claauwe, clauw, clouw. Door het rondgaan van de rechtspraak was clauw zooveel als: een aandeel in de jurisdictie; clauwbrieven noemde men de met onderling overleg der rechthebbenden opgemaakte lijsten der buurten. In sommige streken was dit ook van toepassing op het collatie- en jachtrecht. Zoo was bv. Warfum verdeeld in 36 heerden of boerderijen, die elk ééne stem hadden en naar vastgestelden rooster de benoemingen konden doen. Slechts wanneer het de verkiezing van een’ predikant geldt, of als er sprake is van recht op een jachtveld, komt het woord nog te pas. In het Dr. Landr. door Mr. Menno Gratema, p. 83 lezen wij: “Sommige marken werden verdeeld in scharen en sommige in waardeelen, andere in guldens, stuivers en penningen, weer andere in pooten en klauwen of beenen en klauwen.” In Drente: klauw, klouwe = het vierde gedeelte eener scheerweide, Groningsch kouswaide. Zie ook: klaauwregt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klauw , klauw , kleeuw , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Daarnaast kleeuw. Zie de wdbb. – 1) Het uiteinde van poten, met de nagels. || Wat heb die kat ’en scharpe kleeuwen. – Ook hand. || Hou je kleeuwen thuis. – Voor de grap ook van handschoenen of wanten. || Ik zel me klauwtjes maar weer andoen. Jongen wat ben-je mooi mit die zwarte klauwen. 2) Koeie- of paardekoot. || Ik heb ’en kleeuw van de slager ’ekregen. – Met lood gevuld worden zij ook gebruikt om te koten. Vgl. klauwen. 3) Bij de landbouw. Een ijzeren haak met vier tanden, aan een steel, die gebruikt wordt om mest af te halen. || Neem maar ’en kleeuw mee.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klauw , kloave* , misschien verwant met het Fransche enclave en ’t Latijnsche clavis, stellig met Hoogduitsch Kloben = gaffel.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
klauw , klaue , vrouwelijk , klauw
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
klauw , klauwe , zelfstandig naamwoord , klauwn , klauwken , 1 klauw, 2 hoef, van sik, schaap, koe, varken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
klauw , klouwe , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , klouw , klàwken , 1 klouw, 2 metalen haakje, aan ploeg en derg.
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
klauw , klauw , m , klauwe , hand(en) ’t Löpt gruwelek uut de klauw(e) Het loopt vreselijk uit de hand.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
klauw , klaauw , aandeel in het jachtrecht
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
klauw , klauw , kleêuw , zelfstandig naamwoord de , Variant kleêuw, uiteinde van de poot met nagels. Ook: ijzeren hark met zware balk en zeven tanden, voorts met een lange houten steel met helt of handgreep. De klauw wordt gebruikt voor het fijn maken van grove kluiten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
klauw , klau , mannelijk , klaue , klèike , hand; steen; klauw; klemhaak van schaafbank.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
klauw , klaow , hoef van de koe in zijn geheel.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
klauw , klauw , zelfstandig naamwoord , grote, zware hark (KRS: Hout) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 76). Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
klauw , klauw , klouwe , de , klauwen , (dva, wm). Ook klouwe (wm) = vierde gedeelte van een scheerweide
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klauw , klauw , klaauw, klauwe , de , klauwen, kleunen , Ook klaauw (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), klauwe (Zuidwest-Drenthe). Ook vormen met ou = 1. klauw De klauwen van een ko moet nogal ies bekapt worden (Hijk), De kleine klouwgies de bijhoeven (Sle), As de kaie op de loop komt, dan kleppert heur de klauwen (Nsch), ...olde kaaie begunt te birsen, dan rappelt heur de kleunen gezegd als oude mensen zich jeugdig willen voordoen en bijv. nog verliefd worden en rare dingen doen (Bco), De buizerd pakde de moes met eein klauw vaast (Eex) 2. ruwe uitdrukking voor hand Doe mos dien klauwen veur die bie die holden (Bco), Hij hef goed wat in de klauwen is erg sterk (Hgv), Gaot oen haanden ies wassen, het liekt wel klauwen (Ruw), Aj in zien klauwen vervallen, bi’j niet gelukkig (Row) 3. uithaal, trap Hij kreeg een klauw van die hond in het been (Pes), De katte gaf mij een klauw over de handen (Schn), ’n Klauw van ’n peerd komp good an (Die), Hij deed een klauw ien het maantien mit proemen en lèup toe hard weg graai (Ruw) 4. losse klembeugel aan een ploeg, Het veurplougie zit met een klaauw vast (Eco), Een klauw an een ploeg daor kun je een mes achter doen (Klv) 5. op een klauw lijkend voorwerp, zoals een vork met zware tanden of klauw van een klauwhamer Hij trok met de klauw de mes van de waogen (Row), Een klauwe of een deurhouwer was een hiele grovve harke waor ze de gronds mit lösmaakten Ie hadden ze mit drei of veier taanden (Hgv), Wil ie mit de klauwe de grond löswarken De règen hef de boel aordig dicht eslagen hak (Ruw), Bij rogge intrekken haren ze vrogger een klauwe waor de repe deur etrökken worde (Die), zie ook meskrauwel, röttenval, mollenklem 6. gaffel aan de onderste horizontale balk van het hek (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, hy), ook de gaffel op de paal, waarin het hek valt (Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) De klauw zit under an het hek en dreit um de proppaol toou (Eex) 7. veel inspannend werk (Midden-Drenthe) Daor hej een hele klauw an (Ass)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klauw , klauwe , 1. klauw; 2. hand
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
klauw , klaauwe , handen , És ge veul meej'jew knûste moet wèrreke dan kréd’de wél ilt in'new klaauwe. Als je veel met je handen moet werken dan krijg je wel eelt in je handen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
klauw , klauw , zelfstandig naamwoord , de; 1. krab, klauwende slag 2. zware klim 3. flinke inspanning
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klauw , klauwe , zelfstandig naamwoord , de; 1. bep. kromme nagel, klauw van roofvogels en roofdieren, ook: poot met zulke nagels 2. hoef van een hoefdier, ook: elk van beide delen bij een gespleten hoef van een hoefdier 3. hand 4. de macht van iemand of iets, het overgeleverd zijn aan, het in handen zijn van, soms letterlijk op te vatten 5. bep. beugel om klos van spinnewiel 6. klem waarmee men bunzings vangt 7. mesthaak e.d. 8. hooihark, tuinhark e.d.; klauwgien, et 1. kleine klauwe 2. harkachtig gereedschap met meestal vier, vaak enigszins gebogen tanden, vooral in de tuin gebruikt om de grond mee los te maken 3. bep. schraapijzer, nl. van een schilder
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klauw , klaw , zelfstandig naamwoord mannelijk , klawwe , klewke , hand , VB: (plat) Bliéf mêt d'n klawwe devaan aof.; klauw VB: Lêt op, de kat hèt sjérpe klawwe.; kei VB: 'r Haw 'nne klaw tiënge z'nne kop krège, 'r bloojde wie e véreke. Zw: Dan ben jij 'n klaw: daan bis dich 'nne knappe. VB: Daan bis dich nne knappe es dich dat vêrdig krys; hard (zo hard als een steen) zoe hél wie 'nne klaw; klawwe benen klawwe VB: 'r Haw haos z'n klawwe gebroëke wie 'r dao oétsjaamde
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
klauw , klauwe , (zelfstandig naamwoord) , 1. klauw; 2. hand.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
klauw , [zwaar werk] , klauw , 1. zwaar werk; 2. hand (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
klauw , klaw , (mannelijk) , klawwe , klewke , 1. klauw 2. hand 3. zware steen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
klauw , klauw , zelfstandig naamwoord , klauwe , klauwtje , 1. klauw 2. hand 3. Maaskei
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
klauw , klaw , zelfstandig naamwoord, mannelijk , klawwe , klawke , hand, hoef, baksteen, dikke
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
klauw , klaaw , klòw , zelfstandig naamwoord , WBD hoef van de koe, ook 'klòw' of 'voet' genoemd; WBD klòw - gedeelte v.d. huid dat een poot bedekte (II 594); Dialectenquête 1876 - klouw (au = ou in: blouw, grouw, klouw,...); WBD III.4.4:17 'klauwlucht' = bewolkt; klòw; klauw; WBD klòw - gedeelte v.e. huid dat een poot bedekte (II 594)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal