elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanzitten

aanzitten , anzitten , hij zit’r an, elliptisch voor: hij zit er aan vast, hij is door eigen wil gebonden, bv. om eene belofte te vervullen. Zie: an 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aanzitten , anzitte , werkwoord , Zegswijze mooi anzitte, gezellig aanzitten. – Don anzitte, deftig aanzitten. – Pree anzitte, deftig aanzitten. Uit Frans paré. – ’t Zit er niet an, er is geen geld, er is niets te halen of te verwachten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aanzitten , aazitte , zout aan, haet aagezaete , aanzitten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanzitten , anzitten , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. aanzitten aan het avondmaal 2. (er) aanzitten Daor moej niet aal met de vingers anzitten (Emm), Ie meugt hier naargens anzitten (Eex) 3. eraan vastzitten Je hebt je eigen bod verhoogd; wus ie niet daj der anzaten? (Zwig), Der zit nog wal wat an an de handel er is nog wat mee te verdienen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aanzitten , ônzitte , kunnen eten , Èùw érrepel komme al goed ût, meej goej wiir zul'der vruug ônzitte. Jou aardappelen komen al goed uit, met goed weer zal je er vroeg van kunnen eten.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
aanzitten , anzitten , werkwoord , 1. aandringen 2. in een lastig parket zitten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanzitten , aonzitte , werkwoord , mee-eten , (een hapje mee-eten) zich aonzitte (zie 'zitten') VB: Zit dich aon, v'r hebbe genôg.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
aanzitten , ènzitte , 1. aanzitten; 2. in ’r nie ènzitte geen geld voor hebben , Zit toch nie óvral èn mi oew klótjesvingers. Zit toch niet overal aan met je grijpgrage vingertjes.; ’t Zit ’r dees mònd nie èn. Het zit er deze maand niet aan. Er is deze maand geen geld voor uit te geven.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal