elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: absolutie

absolutie , abseluuse , mannelijk , absolutie.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
absolutie , abseluusie , absolutie , Ge zót’tem toch de abseluusie gèève zónder te biechte. Je zou hem de absolutie geven zonder te biechte. Je zou hem een cent geven, van mij mag hij opdonderen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
absolutie , apselusie , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , - , - , absolutie , VB: Vuur apselusie môs 'r 'nne gaanse noster bèje
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
absolutie , abselusie , (vrouwelijk) , absolutie, vergiffenis van zonden , Es se dich good gebeechtj haats, kreegs se de abselusie.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal