elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afnemen

afnemen , ofnemen , voor: vorderen, eischen, voor het verrichten van eenig werk, hij het mie d’r niks veur ofnomen, hij wōl d’r niks veur hebben = hij wilde er geene belooning voor ontvangen; hij het mie d’r te veul veur ofnomen = hij heeft mij (voor die waar, enz.) te veel laten betalen; – botter ofnemen = de boter uit de karn nemen als het karnen is afgeloopen. – Ook: het overdragen van een werk van een aannemer aan den lastgever; ’t wark (het gebouw, de spoorweg, enz.) is ofnomen = goedgekeurd, en zooveel als: uit de handen van den aannemer overgenomen, als bewijs dat hij zijne verplichtingen is nagekomen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afnemen , ofnemen , voor: overnemen, bvb. het overdragen van een gebouw door den aannemer aan den lastgever.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
afnemen , åfnièmen , afnemen, afleren. Dät zal ik em åfnièmmen: dat zal ik hem afleren.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
afnemen , aafnumme , noum aaf, haet of is aafgenómme , afnemen. Doe höbs al flink aafgenómme: je bent al zeer afgeslankt. “Num toch aaf!” wordt gezegd, als men iets krijgt gepresenteerd en het wil afwijzen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
afnemen , ofnemmen , nam of, of enömmen , afnemen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
afnemen , ofnimmen , sterk werkwoord, (on)overgankelijk , 1. wegnemen, verwijderen Ze hebben hum de blinde daarm ofnömmen (Rol), Ie moet even het stof ofnimmen (Bei), Spinnekoppen ofnimmen spinrag verwijderen (Pdh), Van dei grond kun ie wat ofnemen nemen (Ros), Nim de melk even of haal de room van de melk (Sle), Ik zal je dat zwaore ding wal even ofnimmen ik zal je ontlasten (Emm), Neemt er mar iene of, der bint genog pak er maar een (Eli), Ze hebt hum al vief maol bloud ofnomen (Bco), Aj naor hoes in gaot, moej je pet ofnimmen afzetten (Eex), (zelfst.) Dit ofnemen en bedekken van het veen was daorum een van de veurnaomste winterwerkzaomheden wegnemen van een deel van de bolsterlaag (ti) 2. de tafel afruimen (Zuidwest-Drenthe) Wi’j even ofnemen, wij hebt het eten op (Mep) 3. schoonmaken Ik wil nog even de deuren ofnimmen (Eri) 4. verhoor, examen etc. afnemen Dei man hef jorenlang examens ofnomen (Bov) 5. afhandig maken De kinder hebt dat kleintien al het speulgoed ofnummen (Zwin), Pas op, laot je dat wark niet ofnimmen (Odo) 6. (Kop van Drenthe), in Kanten ofnemen behakken van akkerkanten langs sloten (Eev) 7. afleggen van een dode (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Eerder kwamen de buren te ofnimmen (Sti) 8. minder, kleiner worden De kaortse is aordig of eneumen (Ruw), De wind zal tegen de aovend wel ofnimmen (Anl), Zien krachten binnen ofnomen (Rod), Hie is an het ofnimmen vermageren (Eev), De melk is an het ofnimmen, de weide is op (Zdw), Hij hef hoge koorts en dat nemt aordig of daar wordt hij zwak van (Nam)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afnemen , ofnemm , afnemen, minder melk geven. Die koe nemp aoreg of.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
afnemen , ofnemen , werkwoord , 1. vastpakken en verwijderen 2. kopen 3. laten ondergaan van een examen 4. van een school e.d. nemen 5. van het hoofd nemen 6. van iets halen, losmaken van iets en verwijderen 7. verwijderen, afvegen 8. aannemen, pakken van een ander, afpakken 9. onttrekken, aftappen 10. positief of negatief opvatten, zich positief of negatief tonen over wat de ander zegt, doet 11. in omvang, aantal verminderen 12. in intensiteit, hevigheid, kracht afnemen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afnemen , aofnëme , werkwoord , slinken , (zie 'nemen')
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
afnemen , [afpakken] , afneeme , ontfutselen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
afnemen , [verwijderen] , ofnemmen , (werkwoord) , afnemen. Stof ofnemmen. Iets van een ander ofnemmen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
afnemen , afnemen , afriffelen , draden afhalen van bonen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
afnemen , aafnumme , afnemen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
afnemen , afneeme , sterk werkwoord , afnemen, verminderen; WBD III.4.4:4 'afnemende maan' = laatste kwartier; WBD III.4.4:27 'afnemen' = krimpen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
afnemen , aafnaeme , afslanken
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal