elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ambt

ambt , amt , ampt , handwerk, samengetrokken uit: ambacht; op ’t amt komen = in de leer komen bij een handwerksman. – Ook voor: bediening, eerepost; in amten wezen = een of meer eerepostjes of eereambten bekleeden, bv. lid van Kerke- of Gemeenteraad zijn. Spreekwoord: Alle amten bin smerîg = elk postje geeft voordeel; ook Nedersaksisch; Hoogduitsch Amtchen tragen Käppchen. – Hoogduitsch Amt, Middel-Hoogduitsch ambaht, amt, ambt = bediening, ambt, beroep. Vgl. Zeeman p. 40. Middel-Nederlandsch ambacht, soms reeds ambt = bediening, beroep, werkkring, handwerk, nering, broodwinning, dagelijksch bedrijf.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ambt , amp , onzijdig , ampter , empke , ambt, zie: pos, en: sjtël. Dao is gein empke, of ’t sjwët: aan iedere betrekking is een bijverdienste verbonden.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
ambt , ambt , het , ambten , ambt Wat veur ambt hef hij? (Dwi), Domnee is niet meer in ambt (Sle) *Twaalf ambten, dartien rampen (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ambt , amt , ambt
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ambt , aamp , zelfstandig naamwoord onzijdig , aampte , - , ambt , VB: 't aamp van netäores
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal