elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: baat

baat , bate , (vrouwelijk) , baat.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
baat , boat , Spreekwoord: Alle boat helpt, zee de mug, (of: de schipper) en piste in de Rien (of: in de zee) = Nederlandsch Alle baat helpt. Hetzelfde spreekwoord vindt men min of meer woordelijk in bijna alle Nederduitse dialecten. (Bij Fritz Reuter: All Bött helpt, säd de Mügg, un spukt in den Rhein).
boate, in: de noatuur te boate hebben = zeer levenslustig zijn; van jonge menschen gezegd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
baat , baat , (zelfstandig naamwoord) , Als naam van enige stukken land; thans waarschijnlijk onbekend. || Die baet in de ban van Westzaanden), Polderl. Westz. II (a° 1629). De baet (de Krommeniedijk), Maatb. Kromm. I (a° 1639). – De Kaart v. d. Uytw. Sl. 8 vermeldt onder Landsmeer twee evenwijdige sloten, genaemd Bate Sloot en Schouten Bate. – Ook in Friesl. en Gron. heten landerijen aldus. || Een gras “in der bate”, Cart. v. Selwerd, f° 79 Hunsingoo, (a° 1428). Een half iuck in die baetwert, ald., f° 134 v° (a° 1461). Anderhalf iuck landes gelegen in der batewert, ald., f° 135 (a° 1463), aangehaald in Navorscher 41, 337 vlg. VII ponden hoyland ... genoempt die Baetwe, Reg. v. Aanbreng 2, 360 (Wymbritseradeel, a° 1511). – Vgl. Veluw.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
baat , baat , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zegsw. Hij is an de baat, van een zieke, hij is aan de beterhand. Thans weinig gebruikelijk. – Ned. baat is winst, voordeel; aan de baat zijn is dus winnende zijn, wat ook van een zieke wordt gezegd. De uitdr. komt reeds in het Mnl. voor; zie Mnl. Wdb. I, 599: ane die bate sijn.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
baat , bääte , nut, voornamelijk van geneesmiddel. Alle bääte helpt wat.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
baat , boat , zelfstandig naamwoord, mannelijk , boatn , voordeel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
baat , baat , mannelijk , nut.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
baat , baot , baat, bate, baote , baoten , Ook baat, bate (Zuidwest-Drenthe, zuid), baote (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. nut, voordeel Hij het naor de strieker west, mar hij haar der gien baot bij (Row) 2. winst Die negosie gaf niet veule baot of (Bei), As de kosten hoger bint as de baoten, dan zit het verkeerd (And)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
baat , baot , baote , (Kampen) baat. Ook: baote (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
baat , bäte , (Gunninks woordenlijst van 1908) baat
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
baat , baete , baat. Heb iej bie dât middel baete veur oe kwaole evunn?
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
baat , baot , zelfstandig naamwoord , de 1. nut, voordeel 2. medisch voordeel, lichamelijke verbetering 3. inkomsten, winst, opbrengst
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
baat , baot , zelfstandig naamwoord , vruchtgebruik van bijv. melkkoeien De mêêste hadde een gaait, maor sommegte hieuwe een koe om den baot. Ze mossen ‘m eete geeve maor de mellek en de mis mogge ze houwe De meesten hadden een geit, maar sommigen hielden een koe in vruchtgebruik. Ze moesten hem eten geven, maar de melk en de mest mochten ze houden; Om den baot houwe Voor het vruchtgebruik (baat) houden
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
baat , bäot , zelfstandig naamwoord , baat , hulp bäot VB: Ich heb bié dy millesyn geng bäot voonde.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
baat , baot , zelfstandig naamwoord , baat; WBD ón de baot, òn (de) tèlling - de koe heeft het einde van de dracht bereikt, ze is 'ötgetèld', 'ötgereekend'; A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): - zelfst. nw. vr. en m.: baat, genezing, herstel (baot zuujke, veenne); II. zelfst. nw.  m. baat (weinig gebr. in een zin als 'We haaan geenen, resp. goeien baot gevonde'.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal