elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: badding

badding , batting , badding , zelfstandig naamwoord de , Zware plank, balk.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
badding , baddèng , mannelijk , baddèngs , baddèngske , balk. Zoo gesjwank wie ’ne baddèng: zo stijf als een hark.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
badding , badding , bâlk.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
badding , battems , baddinghout. Stop- en bekistinghout met een maat van 6,5 cm x l6,5 cm van verschillende lengtes.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
badding , batting , zelfstandig naamwoord , de 1. badding, batting, lange, dikke plank, balk 2. stalhout, plank waar de koeien met de achterpoten op staan in de stal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
badding , badding , zelfstandig naamwoord mannelijk , baddinge , beddingske , balk , (gezaagde balk) badding VB: Es te zoe 'nne badding van èike göls dan wêts te wats te beteuls. Zw: 'r Ês zoe sjlap wie 'nne badding: stijf, niet lenig.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
badding , badding , (mannelijk) , houten paal, draagbalk , Zoea stief wie eine badding.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
badding , badding , zelfstandig naamwoord, mannelijk , baddings , baddingske , balk
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal