elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: baggelen

baggelen , baggeln , den veengrond onder het water weghalen, geschreven: baggeren. Dus verwisseling der r en l.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
baggelen , baggeln , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. slijm ophoesten Otien zat zo vol, het baggelde alsmar in de buusdoek (Oos), Hie zit aal op de grond te baggeln rochelend op de grond te spuwen (Sle) 2. spuwen, vooral van pruimers Luuks zat aal naost het vuur te baggeln (Pdh) 3. morsen Het klein kind baggelde zuk der hielmaol under (Oos) 4. sijpelen (Pdh) De etter baggelde oet de vinne 5. zeveren, kwijlen (dva, wm, wb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
baggelen , baggeln , baggern, bageln , Ook baggern, bageln (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. baggerturf maken, zowel met de hand als machinaal Baggeln is vrogger wel daon in Veenoord. Dat was leeg vene. Die meensen daor nuumden ze hier ‘kortetörfmakers’ (Coe), ‘Ook ging men baggeren met een drijvende bakDan vaarde men een veenplas op en op een zeker punt legde men de bak vastDit geschiedde door twee of drie dunne palen door een ring te steken die op de vier hoeken van de bak zaten in het onder het water verborgen veenHet veen werd onder het water vandaan gehaald met een zgn. leibeugel en werd in de mengbak getrokken’ (Hijk, zo ook Eel), Hoge baggern dat is baggern van een stuk vene, waor de bovenste laog of is (Schn), Op taofel baggern: As het blauwe veen ofgraven was en de darg was zitten bleven, dan gungen ze later de darg baggern en dat nuimden ze op taofel baggern (Bov) 2. waden, lopen Gao weg, met je smèrige bienen deur de keuken hen te baggeln (Sle), Hij baggelt er maor raor in um kletst als kip zonder kop (Gas) 3. een zandbad nemen (niet Zuidoost-Drents veengebied) De kippen lagen mooi in de zunne in het zaand te baggeln (Hijk) 4. zich wentelen in zand, modder of stro (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) Dat varken baggert graag in de modder (Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
baggelen , bagkele , werkwoord , bagkelde, gebagkeld , biggen , (mnl: baggelen) VB: Zoe te zie'n doort 't neet mie zoe lang vuur de zoëg gèit bagkele. Zw: 1. 'r Bagkelt van gelök: hij heeft altijd geluk. Zw:. 'r Bagkelt van gojighèid: hij is een en al goedheid, (soms, enigszins ongunstig): hij geeft iedereen gelijk.; werpen (van varken) bagkele (mnl. 'baggelen') Zw: bagkele van gelök: altijd geluk hebben Zw: bagkele van gojighèid: een en al goedheid zijn óf: iedereen gelijk geven; geluk (veel geluk hebben) bagkele van gelök
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal