elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bah

bah , , bah , (onvolkomen a); tusschenwerpsel dat een sterken afkeer, zelfs walging te kennen geeft (ook Drentsch), en zooveel als: harregat, enz. = ajakkes; ’k bin d’r bà van = ’t staat mij geweldig tegen; sterker dan: ik ben er beu van. In de kleinekinder-taal = vuiligheid: zit bà an! Vgl. a 3. (v. Dale: ba = foei! kom kom!)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bah , bah , in de zegswijze ’t bah weze, het zat zijn. | Ik ben ’t goed bah. – D’r bah van weze, er vies van zijn, het niet lusten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bah , ba , bah , 1. uitroep van afkeer Kiek nou ies, waj daon hebt, ba, wat vies (Bei), Ba, wat is dat een zwien van een kerel (Rol) 2. als zn. a. geluid, in Gien boe of ba zeggen niets zeggen Hij zèe gien boe of ba, toen ik hum integen kwam (Dwij). Ook Hie zee gien ba of boe (Gas), ... gien boe of ba (Zdw), ...gien boe of gien ba (Hgv) b. behoefte (kindert., spor.) Moetien, ik mut ba doen (Hav) 3. als bijvoeglijk naamwoord (Zuidwest-Drenthe) beu Wij bint er ba van (Wap)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bah , béh , tussenwerpsel , poep , (tegen kinderen) béh! VB: Neet draon koëme, kênneke dat ês beh!; bétsj vies (tegen kinderen) bétsj! VB: bètsj neet mêt d'n henneke ién 't pispötteke!; bétsj bah (tegen kinderen) bétsj! VB: bétsj neet mêt d'n henneke ién 't pispötteke!
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal