elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: balken

balken , balken , (meervoud) , de zolder boven den deel; zie bij hilde.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
balken , balkens , meervoud van balk. In dat hü̂s likt (ligt) papieren balkens (’t is zwaar gehypothekeerd). Aster balkens onder ’t îs ligt, mögt de joden d’r op.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
balken , balken , (zwak werkwoord, intransitief) , Luid schreeuwen, ook van een koe. Zie de wdbb. || Wat balkt die koe (Wijde Wormer).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
balken , balken* , vergel. lijgen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
balken , balken , werkwoord , loeien (van vee)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
balken , belken , hard huilen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
balken , balke , werkwoord , Ook: 1. Loeien (van koeien). 2. Schreeuwen, luid zingen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
balken , balken , balken (van een ezel).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
balken , balken , hooizolder.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
balken , balken , belken, baalken , Ook belken (Kop van Drenthe), baalken (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = balken, schreeuwen Dat is gien zingen mèer, dat is balken (Zwe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
balken , balken , onbepaald werkwoord , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = balken leggen, de schoven neerleggen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
balken , [Koppelen aan BALK] , balken , hooizolder. zie ook hòizulder. ge meut nie op de balken speulen, je mag niet op de hooizolder spelen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
balken , balken , (Kampereiland, Kamperveen) zoldering boven de deel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
balken , balken , bulken , werkwoord , 1. aanhoudend hard loeien van koeien, ook van ezels en reeën 2. hard roepen, schreeuwen, luidkeels zingen 3. hard huilen 4. in Et is balkt gezegd wanneer het nog stevig vriest
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
balken , bèileke , werkwoord , bèilkde, gebèilk , ploegen , (ploegen met brede voor) bèileke VB: Es 't sjtök gebèilk wäor blèf 't zoe ligke tot 't vreujaor.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
balken , balken , (werkwoord) , ondiep ploegen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
balken , bäöke , werkwoord , bäöktj, bäökdje, gebäöktj , balken (van ezel), loeien (van koeien), huilen (luid); bäölekeloeien (van koeien), bulken (van ’t geld)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal