elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ballast

ballast , ballast , een kind dat ongezeglijk, lastig, bijzonder woelig is: ’t is ’n rechte ballast, zoo’n jōng. Ook = allerlei tuig: wat legt ’r weer ’n ballast op stroat; ie mouten dat ballast wat oprumen. Vgl. ombalgen. (Eigenlijk een pleonasme, daar bal = kwaad, is); Zie ook: gast.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ballast , ballast* , ook voor lastig, nutteloos tuig: wat legt’r weer ’n ballast op toafel, op deel, op stroat. Vergel. omballing *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ballast , ballast , mannelijk , vierkante schop; later ook: batse
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ballast , ballas , zelfstandig naamwoord, mannelijk , brooddronken jongen. Oet ballas, voor de grap
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ballast , ballast , 1. kwajongen. 2. rommel
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
ballast , ballast , ballaster, bals , ballasten , Ook ballaster, bals (Pdh) = schop van diverse afmetingen en vormen, maar over het algemeen een grote schop met opstaande randen, om er los spul mee op te scheppen. Kan van hout of ijzer zijn Een ballast is een grote ronde schup, maor de bek is recht (And), ...met steile ziedkaanten (Eex), De ballast is hetzölfde as de bats, man heitte in het veen ballaster (Bco), Ofbonken deden wij met een schoffel en een ballaster (Scho), ook fungeerde de ballaster als baggerschop (Scho, Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ballast , ballast , de, het , ballasten , 1. onnut of lastig persoon, druktemaker, deugniet De dree wichter van oze buren bint slim gezeggelijk, maor die jong is zo’n ballast! (Bei), Het is een flinke, gezonde jonge, mar o, het is zo’n ballast (Rui), Een koper zunder geld is een ballast op de mark (Sle) 2. rommel Wat is het door altied een ballast op het arf (Bro), Der komp ballast oet het juur etter (Sle) 3. lawaai Het was altied dezelfde, die veul ballast meuk (Eri) 4. lomp beest (Zuidwest-Drenthe, zuid) Wat een ballast van een peerd (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ballast , ballast , ballaster , zelfstandig naamwoord , de 1. grote houten schop met opstaande randen: voor zand, grint, kolen, kalk, graan enz. 2. ballast van een luchtballon e.d. 3. scheepsballast 4. dat wat men als nutteloos ervaart (en dus weg kan)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ballast , baalas , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , ballast , (klemtoon op eerste lettergreep) VB: Goej dy blikke en tute mer ién de drekbak, dat ês toch mer baalas
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
ballast , ballaast , zelfstandig naamwoord , ballast, grote schop; nutteloze last; grote schop met opstaande randen ; uit 'ballastschop'; Cees Robben – Daor staon we dan mee onzen ballaast.. (19730519); Cees Robben – Ik werk vort mee unne ballaast (19860418); WNT BALLAST, wsch. uit 'barlast' (bloote last): last onder in een schip om het de noodige vastheid te geven.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal