elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bang hebben

bang hebben , bang hebbe , werkwoord , angstig , (angstig zijn) 1. bang hebbe VB: De hôfs geng bang te hebbe, dao gebëurt niks. Zw: Zuúg mer neet bang dat dè dich beteult: reken er maar niet op. Vergelijk met: De hôfs gèine bang, dè beteult dich waol. Vergelijk eveneens: a. Ich heb bang vuur oonwèr b. Ich been bang dat 't gèit oonwère: ik heb een sterk vermoeden.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal