elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bank

bank , banken , planken in een kas.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
bank , [wolken] , bank , eene lange reeks van wolken aan den gezigteinder. Zoo zegt men: ‘er groeit een bank’, ‘de zon is in een bank’. Sneeuwbank, verhevenheid verhooging bov
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bank , bãnke , (vrouwelijk) , benke , bank.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
bank , bank , (vrouwelijk) , benke , bank.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bank , bank , donkere lucht aan den horizon, boven door eene rechte lijn begrensd, eene wolkenbank, die hier dikwijls des avonds wordt waargenomen en als voorteeken van regen beschouwd; in ’t westen zit ’n bank. Ook in Noord-Holland waar het begint te verouderen. Zuid-Nederlandsch bank op de kimme = lange, platte wolk ook balke genoemd. – Aan den noordelijken horizon was eene balk of wolkenlaag zichtbaar, die echter niet scherp begrensd was.” (Gron. Cour. 1870) Zie ook: banket.
deur de bank = deur de bank weg = deurbanks, en nog erger verbasterd deur de ban = doorgaans, gewoonlijk, in den regel; deur de bank bin ik zōnd; deur de bank verlust hij; deur de bank komt ’r moar ’n beetje volk in de kerk; deur de bank bin ik vroug wakker. Drentsch deurbanks, Noord-Brabant deur de baank; bij van Effen: – dat ik door de bank Zaterdags ’s middags en Zondags met sommige hupsche kameraads mij wat verdiverteer. (Weil.: door de bank = zonder onderscheid, het eene zoowel als het andere, goed en kwaad door elkander; iets door de bank verkoopen; v. Dale: door de bank (beter: door den band) = het een door het ander gerekend, gemiddeld.) “De uitdrukking door de bank (dore die banke) is ontleend aan de zetting, dat is den door de overheid vastgestelden prijs van brood of vleesch en beteekent oorspronkelijk: naar de verordening (door de bank) der schepenen. De tegenwoordige beteekenis van: door de bank is: in den regel, gemiddeld, gewoonlijk.” (G.v. Willigen, in School en Studie 1885 no 12.) Synoniem met: deurntied; zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bank , bank , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Ook: Een egale donkere streep van wolken aan de horizon. || Er zit een bank in het Westen; het zal gaan regenen. Evenzo in het Fri., Gron., Eng. – In namen van stukken land betekent het woord een laag in de grond. || De Bankjes (weiland op de Koog). d’Riebancken (land te Krommenie, Noordend), Polderl. Krommenie, (a° 1665), f° 36. De Riedbanks-akker (idem, Zuidend), ald. f° 97. De bet. van het woord is hier een soortgelijke als in zandbank, Doggersbank, enz. – Vgl. de samenst. reedzettersbankje, strijkbank, verleesbank, zaagbank.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bank , bank* , vergel. deur de bank * (bldz. 72 en 510.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bank  , bank , benk , benkske , bank. Door de bank, over het algemeen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bank , bank , op de lange bank komen, in ’t Minnehuis komen (1905). Nu hebben de verpleegden tafeltjes en stoelen (1920).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
bank , baanke , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , baankn , beankn , bank; in de beankn, op rijen, van turf
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bank , bank , zelfstandig naamwoord de , 1. Streep van wolken aan de horizon. 2. (Zit)bank, in de zegswijze deur ’n bank, door de bank, over het algemeen. – In de bank gaan, op de zogenaamde vrijersbank plaatsnemen (verouderd). Voor paartjes die samen kermis vierden, werden voorheen in de herberg speciale banken neergezet.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bank , bank , vrouwelijk , bènk , bènkske , bank. Door de bank: doorgaans. Euver de bènk vleige: het afroepen der huwelijksaankondigingen in de R.K. kerk.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bank , bank , zelfstandig naamwooord , dur de, gemiddeld, in het algemeen. Dur de bank vènd’in Beek gin ècht kaoj volk.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
bank , bänkie , bankje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bank , bank , baank , banken , (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën). Ook baank (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) = 1. geldinstituut Zij doet heur altied aordig arm veur, mar zij hebt vaste hiel wat op de baank staon (Koe), Bij het kaorten hef hij de baank (Wes) 2. bankgebouw Op aoljaorsdag bint de baanken sleuten (Bei) 3. bankbiljet Ik geef je 10 baankies van honderd (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bank , bank , banke, baank, baanke , banken , (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe). Ook banke (Zuidoost-Drents veengebied), baank (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), baanke (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe) = 1. bank om te zitten Hij was zo lang, hij mus altied op de achterste banke zitten schoolbank (Bov), Hij zit altied op het eerste baankien altijd met de neus vooraan (Noo), Hie stek zien miening niet under stoelen of banken komt voor zijn mening uit (Sle) 2. toonbank Deur de bank nummen is er niet veul verschil (Gro) 3. werkbank Het dieg lig op de baank plaats, waar deeg na bewerking in de trog wordt neergelegd (Oos), Hij is um een kromme baanke edreid tegen de keer in (Hgv) 4. wolkenband Een bank in het noorden brengt de volgende dag regen (Dro), Een bank veur de zun gef vaak onweer (Sle) 5. schuin oplopende plank in spinnewiel, waarin de boveneinden van de poten van het spinnewiel zitten (hy) 6. kastplank (Zuidwest-Drenthe, Pdh) Wij hadden het geld altied op de darde baank in de kast, mar hij is nooit deur ebeugen (Koe) 7. veenbank, stuk veen op turflengte, dat telkens door de graver wordt vergraven Een bank veen is ein törf lengte en hef de bredte van de putte meestal 5 meter (Bov), Een baankie veen was 5 of 6 törven dikte (Twe), Een bank was ± 5 m. lang en een törflengte bried (Ndo), Een bank is een törflengte dwars veur de koele langs (Scho), Ein baankie veur hebben aan een steek bezig zijn bij het turfgraven (Erf), Weur er as het veen diep was in 2 baankies graven, dan weurden er eerst 4 laogen graven. Daor weurd daor een plaank over legd veur de slagwagen en dan weurden de onderste laogen graven, aanders was het te hoge um het op de wagen te kriegen (Geb), zie ook klaampe, bankveen 8. harde laag Der zit een baank in de grond en doorumme wil het water niet zakken (Bro), Die koe hef een baank in het uur (Gro), (fig.) Ik heb een baank in het lief a. te veel gegeten (Nor) b. ben zenuwachtig (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bank , bank , bank, verkl. bènkske.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bank , banke , bank. Gunninks woordenlijst van 1908: Deur de banke ‘gewoonlijk’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bank , banke , bank. Der zaatn zes of zeuvm schoelkiender op iene banke.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bank , baank , baanke , zelfstandig naamwoord , de 1. bank: bekend zitmeubel 2. kerkbank 3. schoolbank 4. werkbank, draaibanke.d. 5. bep. eenheid op een veenakker: vier meter lang (of tot zes meter) en met de breedte van de lengte van een turf; de diepte was afhankelijk van het aantal lagen turf dat zich toevallig voordeed 6. harde, als zodanig herkenbare laag in de bodem; (bij vergelijking:) een baank in et lief hebben een stijf gevoel in z’n buik hebben 7. opeenhoping van donkere wolken, streep van donkere wolken, hetz. als wolkebaanke 8. mistbank 9. zandbank 10. bank: bekende financiële instelling 11. bankgebouw 12. distributiegebouw, filiaal vanwaar men tuinzaden, pootgoed, meel enz. kon afhalen; baankien, et 1. kleine baank in div. bet., zie onder baank 2. bankbiljet van f 100,- of het bedrag van die grootte
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bank , bank , zelfstandig naamwoord , banke , bankie , [O] wolk, egale donkere streep Kijk daer is een bank in ’t weste zitte Kijk daar eens een egale donkere streep in het westen zitten; Deur den bank genoome In het algemeen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bank , baank , vlak naast , baank (vero.) VB: 'r Woende baank nëven ôs.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bank , baank , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , bénk , bénkske , bank , VB: 'De pesjtoer prèk neet vuur de bénk', zaag me ma zaoliger es v'r gèine zeen hawwe vuur nao de Mês te goën.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bank , bènkskes , bankjes (kerk)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bank , bâânk , bank.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
bank , bangeske , bankje.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
bank , banke , (zelfstandig naamwoord) , bänkien , zitbank.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bank , banke , (zelfstandig naamwoord) , bänkien , bank (geldbedrijf).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bank , baank , bangeske , bank, bankje
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
bank , bank , (vrouwelijk) , benk , benkske , 1. bank 2. zitbank , Geldj bie de bank lieëne.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bank , bânk , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , bênk , bênkske , bank (zitmeubel), bank (geldinstelling)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bank , baank , zelfstandig naamwoord , bangske, bèngske , bank, werkbank; Cees Robben: dur de baank - door de bank, door elkaar genomen; WBD bèddebaank, bèddeplank - beddeplank (in bedstede aan hoofd- of voeteneinde, waarop iets kan worden gelegd of gezet); WBD zitbaank, baank (II:956) - zitplank v.d. weefgetouw; ook: zitplank; WBD III.4.4:22 'bank', 'wolk(en)bank' = wolkenbank; WBD III.4.4:148 'bank' = aardlaag; WBD III.3.3:41 'banken', 'kerkenbanken' = idem; Jan Naaijkens, Dès Biks - 1992 - 'BANK' - dur de bank - gemiddeld; bèngske; verkleinwoord van 'baank'; bankje; Henk van Rijen: op et bènkske laag en plènkske èn en tèngske; Cees Robben – Sjareltje geniet.. dè ziede,/ Op z’n benkske in de zon... (19560929) ; Cees Robben – In die hille klêne benkskes van de Hasseltse kapel... (19540501); Cees Robben – Meej ’t zekske langs de benkskes (19580426) [namelijk het zakje waarin de kerkgangers die in de banken zitten hun bijdrage kunnen doen]; Dirk Boutkan: bèngske - bankje (27); K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Bèts van et bènkske (Karin Bruurs) blz. 30; En we vreejen op een benkske/ Want in 't gras, det wou ze nie... (Tony Ansems, ‘t Willeminapark; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009); WBD (III.3.3:46) 'bankjes, bankskes' = armenbanken (in de kerk); A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): bènkske, met umlaut (krt. 48)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bank , bank , benk , benkske , bank
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal