elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: barmhartig

barmhartig , barmhartîg , voor: jammerlijk, in: hij begunde zoo barmhartîg te reeren = hij begon zoo jammerlijk te schreien. (’t Woord heeft hier de beteekenis van versterkend bijwoord)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
barmhartig  , bermhertig , barmhartig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
barmhartig , baarmhattig , barmhattig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. barmhartig: met mededogen 2. genadig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
barmhartig , bermhertig , bijvoeglijk naamwoord , barmhartig , VB: Allêh, zuug noé 'ns bermhertig en doég get van de priés aof.; bermertig toegeeflijk bermertig VB: Allêh, zuúg noé 'ns bermertig en doég get van de priés aof.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
barmhartig , bärmätig , bärmärtig , meelijwekkend (Hattem).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
barmhartig , bermhertig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , barmhartig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal