elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bazelaar

bazelaar , baazĕldĕr , iemand die bezig is te baazĕlĕn.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bazelaar  , bazelaar , onzin prater.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bazelaar , braazelaer , mannelijk , braazelaesj , braazelaerke , beuzelaar.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bazelaar , bäozeler , zelfstandig naamwoord mannelijk , bäozelerre , bäozelerke , bazelaar , (klinker in slotlettergreep is niet verzwakt tot stomme e maar wordt betoond) VB: Zoe 'nne bäozeler es dè köms te neet dêk tinge.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bazelaar , [iemand die onzin praat] , bazelieër , brazelieër , (mannelijk/vrouwelijk) , bazelieërs , bazelieërke , iemand die onnozele praat vertelt, bazelt, zie ook wazelieër
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal