elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: beestje

beestje , bijssien , (Stad-Groningsch) = beestje, dier of diertje; ’n jōnk bijssien = eene jonge koe. Zegswijs: da’s de oard van ’t bijssien = dat is hem nu eenmaal eigen, dat ligt zoo in zijn aard, meestal met ongunstige beteekenis, ook elders in zwang. – Elders: bijst; baist, inzonderheid voor: koe; bijsten = hoornvee; de boeren zetten de bijsten op stal; hij het ’n stal van ’n groote dartîg bijsten (koeien, twenters, enters en hokkelings); koubijst = koe; jonkbijsten = kalvers en hokkelingen, wat nog geen koe mag heeten, Drentsch, Geldersch bijsten = koeien; Zeeland beest, koebeest = rund, koe; Oostfriesch, Nedersaksisch, Holsteinsch beest, kohbeest; Latijn bestia = dier. Ons: bijst = het dier bij uitnemendheid. Zegswijs, soort van raadsel: boeren binnen bijsten en dat stait in de biebel, ’t welk verklaard wordt door: de boeren binden de beesten en (het woordje) dat staat in den bijbel, zoodat men, zonder hatelijk te zijn, durft zeggen: boeren zijn beesten. Oostfriesch bûr is ’n bêst, Groningsch: boeren bin bijsten. Vgl. bin.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
beestje , bésje , hoofdluis; vruugger han ze dikker bésjes óp de kóp “vroeger hadden ze vaker luizen op de kop”; sjajlekke bésjes, schadelijk ongedierte.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
beestje , besie , beestje, diertje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
beestje , bieskes , zelfstandig naamwoord , luizen , (luizen hebben) bieskes hebbe VB: Ién de oerlog hawwe vëul keender bieskes. Sjmuerges woerd ôzze kop dan iéngesjmèrd mêt sjteenkende, gèl zawf.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
beestje , [klein beest] , bjisje , beestje, insect , ut stiktenur van de bjisjes = het zat er vol beestjes- van die klène bjisjes daor krij-de juuk van = van die kleine beestjes krijg je jeuk-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal