elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: beroep

beroep , beroup , onzijdig , beroep
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
beroep , beroop , zelfstandig naamwoord, onzijdig , uitnodiging voor predikantsambt. Op n beroop kùjrn, praten met een bedoeling
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
beroep , beroep , het , beroepen , Var. als bij roepen = 1. beroep, verzoek Hij hef een beroep op mij daone of ik hum ook kun helpen (Nije), Ze wilt tegen deei oetspraok berooup anteeiken (Eex), Domnee hef een beroep kregen in de stad (Oos), ...veur het beroop bedankt (Bei) 2. vak Die man hef ok gien gek beroep, hie verdient goed (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
beroep , beroop , zelfstandig naamwoord onzijdig , berope , - , beroep , beroop VB: Hej ich mer 'n aander beroop gekoëze, noé gaon ich ekeren däog mêt tiëngezeen nao me wérk.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal