elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: besparen

besparen , besparen , zwak werkwoord, overgankelijk , besparen Op dat wark kuj nog wal wat besparen (Emm), Bespaar je de muite (Sle), Der is hum niks bespaard bleven (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
besparen , besperen , bespaeren , werkwoord , 1. uitsparen, overhouden, verkrijgen door zuinig of handig te zijn 2. onnodig maken, uitwinnen 3. niet belasten met, zorgen dat iets niet hoeft te worden ondergaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
besparen , besjpaore , werkwoord , besjpaorde, besjpaord , besparen , VB: Besjpaor dich d'n meujte, ich gelûif dich toch neet.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
besparen , [bezuinigen] , bespören , (werkwoord) , bespören, bespöörd , besparen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal