elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bespreken

bespreken , bespreken , wordt het meest in eenen kwaden zin gebruikt voor: op de spraak brengen, in een kwaad gerucht brengen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bespreken , bespreken , (sterk werkwoord)
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
bespreken , [genezen door het uitspreken van een formule] , besprèken , (sterk werkwoord) , door het uitspreken van formules iemand van eene ziekte genezen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bespreken , bespreken , bezweren; ’n hond bespreken, zooveel als: van de geheime gave gebruik maken om de kwaadste honden oogenblikkelijk te beheerschen, zoodat zij zoo ienand niet durven bijten, zelfs niet tegen blaffen. – Ook: bespreken van een verstuikt lid, door onder het strijken eenige woorden, een tooverformulier, uit te spreken, te prevelen. Voor het bespreken van een bijenzwerm (om die nl. bij honk te houden) heeft men een zeer vroom formulier, waarbij Vader, Zoon en Heilige Geest worden te pas gebracht. Middel-Nederlandsch bespreken = een tooverformulier over iets uitspreken, het betooveren. (Verdam kol. 1088). Oostfriesch bespreken = beheksen; een geweer bespreken = beheksen, zoodat het niet afgaat. Ook hierbij worden eenige tooverwoorden gemompeld. In Westfalen ook: bespreken van eene kwaal. In Holstein heerschte (of heerscht) het bijgeloof, dat oude vrouwen en ook andere personen, door bespreken, dat is door het aanroepen van zekere dingen den wasdom kunnen beletten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bespreken , bespréêke , Wèrk bespréêke Werk bespreken. Overleg plegen; vastleggen. De slachter bespréêke De slager vastleggen..
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bespreken , bespréêke , bezweren Vratte bespréêke Wratten bezweren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bespreken , besjpraeke , besjprouk, haet of is besjpraoke , bespreken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bespreken , bespreken , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. bespreken Woj oous wel een toertie allennig laoten? Wij wilt nog wat bespreken (Eex) 2. afspreken Wij hebt de vakantie al weer bespreuken (Hgv) 3. bezweren (wb) Aleer mut er kerels ewest hebben, die de honden kunden besprèken (wb: Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bespreken , besprèèkn , 1. bespreken. Gaoj ’n plaeste veur mien besprèèkn? 2. bedwingen, temmen. Hendrek Jan wol ’t peerd besprèèkn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bespreken , besjprëke , werkwoord , reserveren , (zie: 'spreken') VB: Deenks te dat v'r môtte besjprëke vuur de kemedie van muergenaovend?
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bespreken , bespraeke , bespreken , Vreuger haje väöl minse betaaldje, besproeake plaatse inne kirk.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal