elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bespuwen

bespuwen , besjpieë , besjpiede, haet of is besjpiet , bespuwen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bespuwen , bespeien , zwak werkwoord, overgankelijk , bespuwen Hij bespeit mij de hiele vloer gezegd van een pruimer (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bespuwen , bespi’jen , werkwoord , 1. door speeksel te spugen bevuilen 2. door braaksel te spugen bevuilen 3. voortdurend spugen (met speeksel)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bespuwen , besjpyje , werkwoord , besjpyde, besjpyd , bevuilen , (bevuilen met braaksel) besjpyje VB: Môs te lore wie ich oét zeen, hèt mich dat kênneke gaans besjpyd.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bespuwen , [bespuwen] , bespieje , bespuwen , Hae haaj zich gans bespiedj van zatigheid.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal