elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: beteren

beteren , betêrn , herstellen, van eene ziekte; hij betert weer = hij is herstellende; zij ken nijt weer betêrn = die kwaal brengt haar in het graf. Lingen: der kranke bessert, Hoogduitsch der Kranke bessert sich.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
beteren , betêrn , helpen, gebeteren; “hij kon het niet beteren, meester!” (v. H. Bosch); ik ken ’t nijt betêrn = ik ben er onschuldig aan; ook: ik heb het niet met opzet gedaan, en: die zaak gaat mij in ’t geheel niet aan, ik ben er geheel buiten. ’t zel wel betêrn eer dat toe ’n old wief bist, schertsende troost voor jonge meisjes die over kleine ongemakken klagen; ook Friesch. Spreekwoord: Hij ken ’t nijt betern dat de oorlog zoo lang duurt = hij zal geen twist of tweedracht in de wereld brengen, hij is een goedbloed. Oudtijds beteren = boeten, boete betalen om zwaarder straf te ontgaan. Middel-Nederlandsch beteren = beter maken, verbeteren, goed maken, herstellen, in orde brengen; beter worden, zedelijk beter worden, vooruitgaan. (Verdam) Holsteinsch De schaden deit, mut schaden betern = – moet er voor boeten. Dordsch gebeteren, Oostfriesch betern.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
beteren , biättern , zwak werkwoord , beteren. Hei biättert niet wier: hij wordt niet weer beter
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
beteren , baetere , baeterde zich, haet zich gebaetert , zich baetere, zich beteren.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
beteren , betteren , betteren, ebetterd , verbeteren, beter worden (bij ziekte).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
beteren , betern , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , Var. als bij beter = 1. genezen Zij kan niet meer bettern (Pdh), (bn.) Hij is an de beterende haand (Hijk) 2. beter gaan leven Hij is van plan zuk te betern (Sle), Hij hef zien lèven ebèterd (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
beteren , bèètern , beter worden. Hie bèètert mooi an! Iej mutn oe bèètern, jonge!
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
beteren , beteren , werkwoord , aflopen, eindigen, bijv. in Et is nog goed beteerd goed afgelopen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
beteren , beteren , werkwoord , 1. beter worden, herstellen 2. zorgen dat men zich beter gedraagt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
beteren , bëtere , wederkerend werkwoord , bëterde, gebëterd , beteren , (zijn leven beteren) zich bëtere VB: Vreuger wäor 't 'nnen échte vajoe, meh sèr 'r getroûwd ês, hèt 'r zich gebëterd.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
beteren , [beter worden] , bèteren , (werkwoord) , bèteren, ebèterd , beteren. IJ ef zien lèven ebèterd.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
beteren , [beter worden] , bittere , beteren, genezen , Èn de bitterende hand zén. Aan de beterende hand zijn.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
beteren , beteren , baeteren , herstellen, beter worden.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
beteren , baetere , baetertj, baeterdje, gebaeterdj , 1. beter worden 2. zich ~ = ten goede veranderen , Ane baeterendje handj zeen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
beteren , baetere , werkwoord , beter worden, beterende hand, aan de
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
beteren , baetere , beter worden
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal