elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: betuigen

betuigen , betugen , betumen , Ook betumen (Zuidwest-Drenthe, noord) = beleren Het pèerd is goed betuugd (Wijs), zie ook belèren, betouwd
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
betuigen , betugen , zwak werkwoord, overgankelijk , betuigen Ik heb mien spiet betuugd bij de buurvrouw (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
betuigen , betugen , werkwoord , 1. betuigen, nadrukkelijk uitspreken 2. bewijzen 3. van een tuig voorzien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
betuigen , betûige , werkwoord , betuigde, betûig , betuigen , VB: 'r Hèt z'nne sjpiét betûig vuur wat 'r gedoën haw.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
betuigen , betugen , (werkwoord) , betugen, betuugd , betuigen. Zien dank betugen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
betuigen , betuge , betuugde – betuug , betuigen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal