elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bezet

bezet , bezet , voor: begiftiging (zie Bezetten).
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bezet , bezet , in ’t jassen zooveel als: de nel met een kleinen troef, of: buiten troef een heer met eene lagere kaart van dezelfde soort; ’k har de nel bezet. (v. Dale: verzet = kaart, waarmede eene hoogere bedekt of bezet wordt gehouden.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bezet , bezet , dat is met gevaor bezet: zie gevaor
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bezet , bezat , gezet. Hae is gout bezat: hij zit goed in zijn vet.; bezet
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bezet , bezet , bijvoeglijk naamwoord , 1. bezet, vol Dei man is elke aovend bezet (Bco), Hie hef het laand goed mit vee bezet (Zdw) 2. beklemd Hie hef aaid al last had van een bezette börst last van slijmophoping (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bezet , bezet , bijvoeglijk naamwoord , 1. bezet 2. in bezet wezen even geen tijd voor iemand of iets hebben, ook: al een vaste relatie hebben, of: al iemand hebben om mee te dansen, om mee uit te gaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bezet , bezet , bijvoeglijk naamwoord , verlegen, beschaamd, geheimzinnig Ze ister erg bezet mee, ze praot ter nooit over Ze is er erg verlegen mee, ze praat er nooit over; Hij hetter bezet mee Hij wil het niet weten voor een ander; ook: hij ister bezet mee
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bezet , bezat , bijvoeglijk naamwoord , bezet , VB: Ich kry gèi gehuur, de lyn ês bezat.; kaartterm (bep. kaartterm) bezat VB: 'r Haw drove nuüge bezat: troef negen met een kleine troef.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bezet , [bezet] , bezatte , 1. bezet 2. gestucadoord , Dae stool is bezatte.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bezet , bezatte , 1. bezet 2. gestuct zie ook bezètte
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
bezet , bezatte , bezet
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal