elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bezweren

bezweren , bezweren , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. bezweren Bij hoge en bij lage bezweren, dat het waor is (Mep) 2. onheil afwenden door bezweringen (bu) Jan Bèrend, die kun bezwèren
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bezweren , bezweren , werkwoord , bezweren: onheil, ziekte, ongemak afwenden door bestrijking, formules uit te spreken e.d.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bezweren , bezjwère , werkwoord , bezweren , (zie 'zweren') VB: Ze hèt 'm bezjwoere neet mie zoevëul te dreenke.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal