elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: biels

biels , biel , eene soort van paal, meervoud biels. Annonce: Verkooping van: “eene groote partij biels, bijzonder geschikt voor wierpalen.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
biels , biels , zelfstandig naamwoord de , Zware balk, dwarslegger van de spoorbaan. Uit Frans bille. Meervoud bielze.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
biels , bils , mannelijk, vrouwelijk , bilze , biel, dwarsligger.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
biels , belze , (Gunninks woordenlijst van 1908) spoorrichel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
biels , bielze , biels
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
biels , bêl , zelfstandig naamwoord , bêlle , - , biel , VB: Mêt die bêlle kêns te e sjoen pérk ién d'n hoëf mäoke.; spoorbalk (fr. 'bille') VB: De bêlle wörde mêt karbelenejum iéngesjmèrd.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal