elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bikkel

bikkel , bikkel , mannelijk , beentje uit een schapenpoot, waarmee meisjes bikkelen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bikkel , bikl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , bikls , bikkel, meisjesspel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bikkel , bikkel , m , bikkels , grote glazen stuiter(s), knikker; hard persoon.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bikkel , bikkel , zelfstandig naamwoord de/’t , Bot(je), met name schapebotje waarmee gebikkeld werd. Zie voor uitvoerige beschrijving van het oude bikkelspel het ‘Woordenboek der Zeeuwse dialecten’ door Ha. C. M. Ghijsen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bikkel , biggel , mannelijk , biggele , biggelke , pikhouweel; bikkel, kootbeentje.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bikkel , bikkel , biggel , Ook biggel (Zuidoost-Drents zandgebied) = botje uit hiel van een schapepootVeel gebruikt om mee te spelen De veer kanten van een biggel hiet estertien, boekertien, stao(n)dertien en koeldertien (Sle), Ik geleuve niet dat hij der kapot van is, hij is zo hard as een bikkel (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bikkel , bikkel , (Gunninks woordenlijst van 1908) bikkel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bikkel , bikkel , zelfstandig naamwoord , de 1. botje uit de voorpoot van een varken of sprongbeen uit een schapenpoot, met name bekend vanwege het gebruik in het bikkelspel 2. bep. hoed, bikkel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bikkel , bikkel , zelfstandig naamwoord mannelijk , bikkele , bikkelke , hard , (zo hard als een steen) zoe hél wie 'nne bikkel; houweel VB: Dèn helle groond krys te neet kepot zoonder 'nne goje bikkel.; pikhouweel VB: Dè beton krys te eleng mêt 'nne bikkel kepot
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bikkel , bikkel , zelfstandig naamwoord , jeneverbes (Helmond en Peelland); bikkel; knikker (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bikkel , biegel , biegkel , zelfstandig naamwoord , biegels , biegelke , stuiter, grote glazen knikker, bonk ook biegkel
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal