elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boel

boel , boel , (mannelijk) , boedel, menigte, groot aantal. Daar was een boel volk, daar is nog een boel aan te verbeteren, de boel is in de war, ze zijn met den boel verlegen, daar hebt gij nu het heele boeltje.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
boel , boedel , heel veel, eene menigte (ook Gron. boudel, bult); ’n boedel geld en goed. Oostfr. bûdel, bôdel, boudel, contr.: van bûl, bôl, boul = hoop, menigte, massa, Nederl. boel = menigte.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
boel , [veel, hoop] , boudel , zie: bult (veel)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
boel , bedel , zie: al den bedel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
boel , boudel , (boedel) = boel; ’t is t’r ’n boudel (ook met de toevoeging: van Jan Stijn) = ’t is daar een verwarde boel, eene onordelijke huishouding; een rommel; ’t is ’n boudel! = ’t is eene zeer lastige zaak; da’s ’n beste boudel = dat staat mij (of: ons) goed aan, daarvan of daarmee kunnen wij pleizier hebben; ook = die menschen zijn rijk; ’n knappe boudel = nette en ordelijke huishouding, winkel, enz. In samenstellingen kan het niet altijd door: boel, kraam, vervangen worden, als in: regenboudel, als het een regenachtige tijd is; sneiboudel = de hoopen sneeuw die op wegen en straten ligt, een sneeuwrommel; zandboudel = de zandige bodem, waarin men moeilijk kan voortkomen, en ons dus zeer hinderlijk is; stofboudel = wat met stof bedekt is, en ook het stuiven zelf; schoulboudel = schoolzaken, zaken, het onderwijs betreffende; gemijnteroadsboudel = de verkiezing voor den gemeenteraad; loezeboudel = kleeren met ongemak, enz. Men zou er voor kunnen zeggen: dat geregen, dat gesneeuw, dat gestuif, of: al dat stof, enz.
massa, hoop, menigte: ’n boudel knikkers; d’r starven ’n hijle boudel mensen, enz. Meer echter gebruikt men: bult; zie aldaar. Oostfriesch bûdel, bôdel, bûl, bôl, boul = hoop, enz.
boedel, al het bezit; ’n goude boudel hebben = welgesteld zijn; ’n dikke (of: beste) boudel hebben = veel geld bezitten. Zie Verdam, art. boedel.
massoale boudel = gemeenschappelijk bezit; ’t gait oet de massoale boudel = het wordt betaald uit zulk een bezit, al is het ook slechts ten bate van één of meer, niet van alle, dier bezitters, bv. de kosten zijner studie worden door allen, broeders en zusters, gezamenlijk gedragen. Latijn massalis = tot ééne massa behoorende.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
boel , al den bedel , de heele boel, allen en alles, niemand uitgezonderd. De uitdrukking ziet alleen op personen, en dikwijls eene verzachting der volgende; altijd echter in ongunstige beteekenis. Oud-Friesch bodel = roerend goed; bedel = landerijen, landgoederen, vaste bezittingen; bo, boo = het geheele bezit; bodel = inboedel, Groningsch inboedel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
boel , boȇl , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , zie zegsw. op omgooien, en vgl. tisboel, uileboel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
boel , bůůle , vrouwelijk , boel. Ne bůůle: een hele boel, veel. Vgl. boudel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
boel , boel , v , boedel, hoeveelheid (heel veel.) ’n Hél(le) boel; De hélle boel verzameling, alles.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
boel , boel , zelfstandig naamwoord de , 1. Boedel. 2. Boel, massa. 3. Rommelzooi. Zegswijze van de boel of weze, 1. de hele zaak verkocht hebben. 2. Failliet zijn. – ’n Uitsturven boel, boedel zonder rechthebbende nabestaanden. – De boel an ’t zaai doen, het bedrijf of de zaak opruimen, verkopen. – Mit de boel bezet (anhaald) weze, met de zaak opgescheept zitten, zich geen raad weten. – ’t Is een misse (foute) boel, de zaak is mislukt, staat er slecht voor. – ’n Boel te kwaad weze, veel schulden hebben. – ’n Goeie boel, een rijke boedel of bedoening.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
boel , boel , mannelijk , boel, veel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
boel , boele , 1. boel, een hele boele: een heleboel; 2. de boele ofschriem: de rente betalen; het werk afmaken; 3. spullen; * gin geld, mà de boele veur mekaere: niet rijk zijn, maar goed rond kunnen komen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
boel , boel , booul , boelen , Ook booul (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), bool (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. boedel, inboedel Nou de aol meinsen oet de tied bint, kunt de kinder de bool oet mekaar maken (Bei), Wij hebt de boel goed verzekerd (Dwi), Ie treft het neet, ik hebbe de bool net aoveral alles van de plaats (Rui) 2. boel Op de boouldag wordt de heeile booul verkocht (Eex), Het is door een dooie boel (Bov), Het wordt daor een misse bool, de kastelein de halve dag dronkend en zien vrouwe komp er van hartzèer bij te liggen en zijn vrouw wordt bedlegerig (Rui) 3. heel wat Zie hebt een boel an mekaar (Sle), Det wordt een boel edaone vaak (Bro), Ik heb een boel knikkers wunnen (Coe), zie ook boedel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
boel , boel , 1. veel. Een boel volk ‘veel mensen’; 2. rommel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
boel , boel , zelfstandig naamwoord , de 1. inboedel 2. kleding en overige spullen die men bij zich heeft 3. huishouding 4. slordige, niet hygiënische huishouding (vaak ook: waarin men veelal ruziënd met elkaar omgaat), bende 5. het geheel van iemands woning of onroerend goed 6. het geheel aan spullen, van iemands zaken 7. toestand, situatie 8. in een boel een grote hoeveelheid 9. in een boel vaak, bijv. Hi’j was een boel op pad vaak weg, eropuit 10. ongesteldheid, menstruatie 11. dat wat al genoemd is of als bekend wordt verondersteld, bijv. Ze hebben him de boel ofpakt 12. het geheel van, in samenstellingen als plaankeboel, kaasteboel, glasboel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
boel , bôl , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , boel , bôl VB: Ze hebbe z'nne gaanse bôl verkoch. Zw: Dat zoûw mich sjoene bôl zién: dat zou me wat fraais zijn. Zw: 'nen Wêlle bôl: een ongeregelde bende.; ruzie (huiselijke ruzie) bôl VB: Dat ês mich dao 'nne sjoene bôl; hebben (zijn hele hebben en houden) z'nne gaanse bôl VB: Ze hebben 'm z'nne gaanse bôl verkoch ömdat 'r z'n sjueld neet kôs betaole
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
boel , boel , (zelfstandig naamwoord) , 1. boel, alles met elkaar; 2. het hele huis, in: Ik mut de boel nog doen. Ik ebbe mien boeltien skone.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal