elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bomen

bomen , boomken , (werkwoord) = boomen; dei schipper mōs dat hijle end boomken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bomen , bomen , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. een schip voortduwen met de vaarboom 2. een boom opzetten Wie zitten al een haile zet te bomen en nou waiten wie nait meer (Vtm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bomen , bomen , (Gunninks woordenlijst van 1908) een schuit met een boom voortbewegen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bomen , bomen , werkwoord , keuvelen, gezellig en langdurig praten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bomen , bomen , werkwoord , een boot voortduwen met een boom
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bomen , bëume , werkwoord , bëumde, gebëump , beuken , VB: 'r Haw z'nne sjluütel vergëte, 'r haw e keteer op de duur môtte beüme ie ze 'm hoerte.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bomen , beume , werkwoord , (Nederweerts) slaan, er op los
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bomen , beume , zwak werkwoord , bôome - bómde - gebómd , bomen (textielindustrie); - verleden tijd bumde; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: bumt; WBD beume (II:998)- bomen: De geschoren ketting gelijkmatig (met behulp van de effenaar, boomhout, boomstok (etc.) op de kettingboom winden .WBD te brêed gebumd (II:1007) - te breed geboomd; WBD te smal gebumd (II:1007) - te smal geboomd; WBD te eng gebumd (II:1007) - te eng geboomd; WBD te slap gebumd (II:1007) - te slap geboomd; Van Rijen (1998): 'bêûme - (textiel) bomen, ketting om boom doen; bôome; Van Rijen (1998): breedvoerig praten, bomen; met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: hij bómt; bumt; van beume, bomen, opbomen; Van Rijen (1998): boemt, (textiel) boomt (zie 'beume')
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal