elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bon

bon , bon , (onzijdig) , bonnen , 1. afgesloten ruimte, hok, de plaats waar men des zomers de koeien melkt, het melkhok. Zie op het woord melkhok. 2. bun in eene kast. Vroeger had men kasten met vele bonnen, kunstig bewerkt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
bon , bon , (bòn) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Verkl. bontje; vroeger ook bonje. – 1) Afgeperkt gedeelte of vak van een dijk of weg, dat één persoon te maken en te onderhouden heeft. Zie Ned. Wdb. III, 337 vlg. Nog te Assendelft. Elders spreekt men van park; zie aldaar. || Ik heb ’et gras van me bon dijk verhuurd. Dijckgraef ende Heemraden ... (sullen) de Twischdijk ... beschouwen, ende indien ... (sy) eenig Vack ofte Bon dijck bevonden ... niet (naer het accoort) opgemaekt te wesen, so sullen ... (de makers) gecondemneert werden in een boete van agt Kermer schellingen voor soo meenigen eigendom als de voorn. Dijckgraeff bevinden sal int voorsz. ongemaeckte Vack, Roed ofte Bonne dijck te behooren (Bestek voor het aanleggen van de Twischdijk, a° 1635), Handv. v. Assend. verv. 435. Het gebuert jaerlijcks datter verscheyden Bonnen off Parcken in de Dijck ... boetschuldich zijn geweest, maer is niemant ... boetschuldich geëeschen anders als diegeenen die haer Parck of Bonn niet was gemaakt, ald. 440 (a° 1647). – Niet geheel duidelijk is de volgende plaats in een keur van Oostzanen (a° 1636). || Aengaende de reddeloose plaetsen, soo in de houte Bonne als opte Gouw. Alsoo onderwijlen dickmael bevonden wert eenige vervallen en reddeloose plaetsen inde Breggen in ’t zuyt-ent, waer uyt groot prijckel soude komen van ongelucke, so daer inne niet en werde versien. Soo is ’t, dat Schout en Schepenen ... hebben geordonneert ..., dat soo wanneer daer eenigh parck soo van leenen ende deelen, ofte onderleggers is komen te vervallen, tot onbequaeme wegh, dat den Schout ... den Eygenaer van dien het selfde aen sal mogen seggen om op te maken binnen den tijt van acht dagen, LAMS 715. – Waarschijnlijk is ook hier bon = park van de weg, en noemde men houten bonnen die bonnen, waar een plankenpad over liep, omdat de weg er anders onbegaanbaar was. – Dat bon hier brug zou zijn, weerspreekt de inhoud der keur, en deze betekenis was ook zeer moeilijk te verklaren. – Ook in bouwbonnetje, dat als naam van een stuk land onder Assendelft voorkomt, maar daar thans onbekend is, zal wellicht hetzelfde woord bon schuilen. Het woord zou dan aanduiden een bon dijk, waarop koolzaad of iets dergelijks werd verbouwd. || Jan Dirck Huysers noorder (suyder) bouw bonnetge, Maatb. Assend. (a° 1635). 2) Een tot bergplaats afgeschoten vak, en bij uitbreiding kast. Evenzo elders in N.-Holl. – a) Hok, vak, afdeling in een kast. || Er bennen veel bonnen in die kas. – Ook van een konijnenhok, waarin door een plank een verdeling is gemaakt. || We hebben ’en groot knijnehok met twee bonnen boven mekaar. – In het meerv. ook bons. || De bons van ’en knijnehok. – Vgl. de samenst. geldbon. b) Een aan de muur getimmerd kastje, waarvan er doorgaans meerdere in een vertrek zijn. Soms is een gehele wand met bontjes betimmerd. || Berge ’et maar in ’et bontje. Is ’et in ’et Noorder- of ’et Zuiderbontje (kastje aan de Noorder- of Zuidermuur)? In ’t onderste bon , Hs. invent. Ploegh (a° 1704), Zaanl. Oudhk. In het Oosterbon, in het Westerbon beneden, idem boven, enz. (in het raadhuis van Westzaanden), Hs. (a° 1801), Zaanl. Oudhk. – De bontjes onder een venster, die naar voren springen en van boven een soort van aanrechtbank vormen, heten rechtbontjes; zie aldaar. c) Een klein kastje, dat los aan de muur hangt; in huizen en in molens, waar de knechts vaak een eigen bon hebben. || De koppies zitten in Jan zijn bon. (Weesmeesteren besluiten) tot eene gedagtenis aan gemelde minderjarige te zullen afgeven een kistje en bon, om klederen in te kunnen doen, Hs.(a° 1803), archief v. Assendelft. Een bon met kindergoed, Hs. invent. (Krommenie, a° 1797), prov. archief. – Het woord was in de 17de e. ook te Amsterdam gebruikelijk. || Al datmen sluyten mach in Kassen en Bonnen, ROEMER VISSCHER, Brabbelingh (ed. 1669), 80. d) Een open bon, een zogenaamde Assendelver kast (zie de afbeelding in SCHOTEL, Zeden), een met bont schilderwerk versierde kast, bestaande uit twee met deuren gesloten kastjes van onderen en twee andere, kleinere, van boven, en daartussen een open vak om porseleinen schotels, enz. te pronk te zetten. 3) Een soort van houten kast met gaten, om vis in te bewaren, bun, viskaar. In deze zin ook vrouwelijk || Er is weinig vis in ’t bon. – Evenzo in Waterland. Ned. bon, bun en beun zijn vrouwelijk 4) Een vlechtwerk van takken, dat dicht bij een stuk land in het water wordt gelegd, om vis te vangen. Alleen in de samenst. takkebon, visbon; zie aldaar. – Vgl. Mnd. bune, vrouwelijk Zaun oder Schlengenwerk am Ufer (LÜBBEN). AANM. De bet. afgesloten ruimte bij de woning, waar des zomers de koeien gemolken worden (Drechterland, Waterland) schijnt aan de Zaan niet bekend te zijn. De verschillende betekenissen van bon laten zich best tot één terugbrengen, nl. die van door planken of vlechtwerk afgeschoten ruimte (vgl. FRANCK op beun). Dat het Zaanse bon bijna alle betekenissen van bon, bun en beun verenigt, kan ondersteunen de ook in het Ned. Wdb. III, 339 uitgesproken gissing, dat deze woorden werkelijk één in oorsprong zijn.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bon , bon , v , bon Alles was in d’n orlog op de bon Alles was in de oorlog op de bon.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bon , bon , zelfstandig naamwoord ’t , Afgesloten ruimte waarin de koeien worden gedreven om te worden gemolken. Vgl. melkbon. 2. Afgesloten deel van een dijk, in gebruik als wei- of hooiland. 3. Vak van een kast of van een viskaar. Het woord bon en de variant bonne, bun(ne) in de betekenis van ‘afgesloten ruimte’ zijn verwant met beun. Zie voor de oorspronkelijke betekenis het N.E.W. onder beun. Zegswijze ze het ’n kind in ’t bon, ze heeft een kind aan de borst.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bon , bón , proces-verbaal.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bon , bonne , bunnegie , bon.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bon , bon , bonne , bonnen , Ook bonne (Zuidwest-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. bon Ik heb nog bonnen oet de oorlog (Sle) 2. bekeuring Ik har der te lang staon en toen kreeg ik een bon (Bov), Hij slingerde mie op de bon (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bon , bon , zelfstandig naamwoord , de 1. biljet, bon waarop men iets kan verkrijgen 2. kassabon 3. proces-verbaal bij een bekeuring 4. bon als toegangsbewijs 5. bon met nummer bij een verloting 6. spaarzegel 7. schriftelijk bewijsstuk dat men bep. waren heeft geleverd 8. boekenbon, platenbon, bloemenbon e.d.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bon , boûng , zelfstandig naamwoord mannelijk , boûngs , bûingske , bekeuring , VB: Es te zoonder leech veurs hebs te allewyl mer 'n kleng kaans dats te 'nne boûng krys.; bon VB: Nëm de boûng mêt daan kêns te altiéd nog toésje.; bûingske spaarzegel VB: Ién dè weenkel gëve ze bûingske, vuur mich hôf dat allemaol neet, 't ês eleng mer de lûi get vernuüke.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bon , bonne , (zelfstandig naamwoord) , bunnegien , bon.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bon , bón , bekeuring, bon , Ik hé wir is ’n bón gekrigge. Ik heb weer eens een bekeuring gekregen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bon , bón , (vrouwelijk) , bónne , bunke , bon , Doe mós ’t bunke altied good beware vuuer de garantie.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bon , bón , zelfstandig naamwoord, mannelijk , bónne , bunke , bon
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bon , bón , bónne , bunke , bon
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal