elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bosduivel

bosduivel , bōsduvel , zie: bōsbeer.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bosduivel , bosduvel , m , onaantrekkelijk persoon (lange onverzorgde haren).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bosduivel , bosduvel , zelfstandig naamwoord de , Bosduivel, in de zegswijze d’r bai loupe as ’n bosduvel, er slordig, onverzorgd bijlopen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bosduivel , bosduvel , zelfstandig naamwoord , (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), bosneger (LPW: Mont, pols) in de uitdrukking hij ziet eruit as ’n bosduvel (bosneger) : er smerig uitzien. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 42) en Gouda (Lafeber 1967, p. 75). Zie ook *griendduvel.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
bosduivel , bosduvel , de , persoon, die er wild en smerig uitziet. Ie mun oen haor ies wat anharken, ie zien er uut as een bosduvel (Mep), ook gezegd van onbetrouwbaar persoon Een bosduvel is geen beste (Ros) of kinderschrik (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bosduivel , bosduvel , zelfstandig naamwoord , de 1. zeer wild, boos, vinnig iemand 2. iemand die er erg smerig, verwilderd uitziet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bosduivel , bosduvel , zelfstandig naamwoord , verwarde , (een verwarde haardos hebben) 'nne kop hebbe wie 'nne bosduvel
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bosduivel , bosduvel , bosneger, bosduvel , eruut zien als een bosduvel, er verwilderd uitzien.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bosduivel , bosduuvel , zelfstandig naamwoord , spanzaag (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal