elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boterschotel

boterschotel , [schotel waarop de boter gezet wordt] , bötterschötel , schotel waarop de boter gezet wordt, Gron. botterschuddel; botterschötel.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
boterschotel , butterskuttel , zelfstandig naamwoord de , Schotel of schaaltje voor (gesmolten) boter, botervloot.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
boterschotel , bóttersjuttelke , botervlootje.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
boterschotel , botterschottel , zelfstandig naamwoord , de; boterschotel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
boterschotel , boëtersjoëtel , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , boëtersjoëtele , boëtersjuütelke , botervloot , VB: Ich heb nog 'n boëtersjuütelke van me groetmôjjer ge-oürve, wit mêt bloûw versering.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal