elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bougie

bougie , boeziés , zelfstandig naamwoord meervoud , Bougies. Zegswijze hai is z’n boeziés kwoit, platschertsend voor: hij is gecastreerd. Ook zegt men wel: de ontsteking is er uit.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bougie , boezjie , vrouwelijk , boezjies , boezjieke , kaars.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bougie , besie , zelfstandig naamwoord , de; bougie (van een motor)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bougie , bôzjie , zelfstandig naamwoord mannelijk , bôzjies/bôzzjies , bôzzjieke , bougie , VB: D'n ôtô dèit 't neet. De zals 'nne vêttige bôzjie hebbe.; bôzzjie kaars bôzzjie (fr. 'bougie') (vero.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal