elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bouw

bouw , bouw , voor timmeraadje. , Hij doet daar een´ heelen bouw. Hebt gij mijnen nieuwen bouw al gezien?
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bouw , [oogst, oogsttijd] , bouw , bou , oogst, oogsttijd; “’t trof nog al good, dat ’t neet in de heuijng of in de bou was.” Dr. Landr. (1712) II, p. 78: – ende als het in den bouw is, ’t welk verstaan wort te beginnen van den 18 Julii tot den 12 Augusti. Id. (1608) II, 38: – als het in den bouw is, ’t welck verstaan wordt te beginnen van den 7 July tot den 1 Augusti.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bouw , bou , (bouw) = verbouw, teelt van veldvruchten; kool is gijn veurdijlege bou meer, de pries is te leeg. Vgl. ooftbouw, tuinbouw, vlasbouw, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bouw , bouw , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk (?)) , Akkertje waarop graan, bonen of mosterd verbouwd wordt. || Het volk is an ’et werk in de bouw. Me bouw staat goed. Ze ben in de bouw an ’et dorsen. – Vgl. bout II.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bouw , bouw , zelfstandig naamwoord de , Bouwland, akker. | Hai is efkes de bouw uit. Zegswijze hai zel wel de bouw uitgaan, hij zal wel tuinder worden of tuindersknecht. – Op de bouw werke. 1. tuinder of tuindersknecht zijn. 2. Op de akker werken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bouw , bouw , zelfstandig naamwoord , het totaal van de gewassen voor de oogst (KRS: Coth) ‘We hebbe dit jaar een goeie bouw.’ (Coth)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
bouw , bouw , 1. oogstwerkzaamheden; 2. bouw.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bouw , bouw , de , 1. bouwland Dat laand is beter geschikt veur gruun as veur bouw (Sle), Ik heb vief bunder in bouw (Eco) 2. oogst As de rogge riepe is begunt de bouw (Ruw), As we in de bouw bint, eet we ’s middags op het laand (Bal) 3. het bouwen In de winter lig de bouw stil (Bov), Ik deink dat mien zeune nou zowat veer jaor in de bouw warkt (Hijk), Ze begunden in juli met de bouw de bouw van het huis (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bouw , baauw , gebouw , Ut gemintehûis is nen hille baauw geworre, héd’det al gezien in Blaol? Het gemeentehuis is een groot gebouw geworden, heb je het al gezien in Bladel?
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bouw , bouw , zelfstandig naamwoord , de 1. bouwland, bouwakker 2. landbouwgewas 3. oogstwerkzaamheden op de akker, het verbouwen 4. het bouwen van huizen etc. 5. plaats waar men bezig is met huizen etc. te bouwen 6. woningbouw als branche 7. vorm van het lichaam van een mens of dier 8. structuur van wat men maakt/heeft gemaakt, bijv. de bouw van een roman 9. opbouw van een bijenkorf door de bijen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bouw , boüw , zelfstandig naamwoord mannelijk , boüwe , - , bouwplaats , bouwplaats VB: Op de boüw môs te altiéd 'nnen helm dräoge.; bouwvak; VB: De boüw hèt vekaansie.; gebouw boüw
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bouw , [het (be)bouwen] , bèw , bouw , Óp d’n bèw wérke. In de bouw werken.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bouw , bouw , 1. te veld staand gewas; 2. bewerking van het land; 3. oogst(tijd); de bouw d'r in hebben, in verwachting zijn; bouwboer, bouwman, akkerbouwer, of boer met overwegend akkerbouw; bouwkamp, door heggen, wallen of sloten omgeven akkerland; bouwla(a)nd, akker, akkerland.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bouw , bouw , zelfstandig naamwoord , oogsttijd (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bouw , boew , (mannelijk) , bouw, gebouw in aanbouw , Dae boew is bekans klaor.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bouw , boew , bouw
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
bouw , bouw , zelfstandig naamwoord , gebouw, bouwwerk; Et nuuw pòsketoor is nen grôoten bouw .Zen bruurs wèèrken in den bouw. - Zijn broers werken op 'n bouwwerk .C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BOUW 1. bouwwerk, gebouw, 2. het verzorgen en melken van het vee en tijdstip waarop dit moet gebeuren; d'n bouw doen - vooral op zondag, als d'n bouw het enige werk is .J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BOUW zelfstandig naamwoord mannelijk - gebouw, Fr. édifice, bâtiment: 'ne sterken bouw
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bouw , bouw , graanoogstperiode
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal