elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brandspuit

brandspuit , brandspuit , de , brandspuit De braandspuit was er ook, maor die kun niks oetrichten (ov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
brandspuit , braandspuite , braandspuit , zelfstandig naamwoord , de; brandspuit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
brandspuit , braandsjpuet , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , braandsjpuete , braandsjpuetsje , brandspuit , VB: Ién de 18e iew haw Groéselt nog geng braandsjpuet, de braand môs mêt tobbe wäoter geblös wërde. VB: De aw braandsjpuet van Groéselt ês oét 1858.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal