elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brat

brat , brat , (zelfstandig naamwoord) , Bij vissers. Alleen in de uitdr. een brat vis voor een grote hoeveelheid. || We hebben ’en goeie trek met de zegen ’edaan; wat ’en brat vis!
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
brat , brat , (bijvoeglijk naamwoord) , Van personen. Flink, stoer, stoutmoedig. || ’t Is ’en bratte kerel. Hij is lang zo brat niet as zijn broer. Ook als geslachtsnaam BRAT. – Door VAN DALE wordt het woord als gewestelijk vermeld in de zin van prat, vurig (vooral van paarden): “Dat paard is brat; dat zijn bratte paarden; gij zijt zo brat, jongetje!” In Friesl. betekent het woord fier, trots (HALBERTSMA 486). Vgl. Ono. brattr, stoutmoedig, Oeng. brathe, trots (HALLIWELL 207).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
brat , brat , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , In verkl. bratje. Een kluwentje wollen stopgaren; in alle kleuren in de winkel verkrijgbaar. De bratjes zijn gewonden van zeer dunne fijne wol, die gebruikt wordt om te stoppen. Nu deze wol niet meer bij kluwentjes verkocht wordt, begint ook het woord bratje te verouderen. || Een bratje stopgaren. Haal nog ers ’en bratje, me wol is temet op. – Brat is eigenlijk de naam van de soort wol. Vgl. Oost-Fri. brat, barat, die weichste, feinste Wolle, jedoch kürzer als sajét; brattengȃrn, das aus dieser Wolle gesponnene Garn (KOOLMAN 1, 223). Later heeft men een kluwentje van die wol, de hoeveelheid waarbij ze werd verkocht, een bratje genoemd. – Verder is brat, borat, een geweven wollen stof, die vroeger ook aan de Zaan voor het maken van kledingstukken werd gebruikt. || Een bratte jack ..., een brat borsien, Hs. (O. Zaandam a° 1669), prov. archief. Vgl. ook OUDEMANS 1, 808: “bratte kleȇren”. Zie voor de afleiding van het woord FRANCK op borat.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
brat , brats , ongeduldig brats zien ongeduldig zijn. [Wes]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
brat , brat , zelfstandig naamwoord de , 1. Smeerboel, smurrie. | Ruim jij die brat zélf maar op. 2. Grote hoeveelheid. | Hai het nag ’n brat wortele lègge. Vgl. Fries brot. Meervoud bratte, in de zegswijze bratte make, een smeerboel maken, rommel maken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
brat , brat , bijvoeglijk naamwoord , 1. Deftig, parmantig. | We hewwe brat anzeten. 2. Flink, stoer. | ’t Is ’n bratte kirrel. Vgl. Nederlands prat, Fries brat. Zie ook Boek. onder brat (II).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
brat , bratse , de , bratsen , (Zuidwest-Drenthe) = prut Heb ie alles deur mekaar ebrouwseld? Het is jao iene bratse (Pes), Een dikke bratse snei (Smi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
brat , brets, de brets sjtik 'm , dartel , (hij is dartel) de brets sjtik 'm VB: 'r Ês mêt geng viéf përd sjtel te hawe, volges mich sjtik de brets 'm.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal