elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: breedte

breedte , brette , breedte; in de brette; brette van ’t goud, enz. Vgl. brijd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
breedte , bredte , zie höfte *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
breedte , brettĕ , breedte.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
breedte , breedte , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , breedte. t Zit um in de leangte of in de breedte, ’t moet toch ergens aan liggen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
breedte , bredte , breedte
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
breedte , breitde , mannelijk , breedte. Of ’t noe oet de lengde of oet de breitde kump, dat is ratsj egaal: het kan niets schelen, hoe het er komt, als het er maar komt.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
breedte , bredte , de , breedte De jagers nammen het heideveld in ien keer in de volle bredte met (Pdh), Kan het nich oet de bredte, dan mot het man oet de lengte (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
breedte , brette , breette, briette , zelfstandig naamwoord , de 1. het breed zijn, breedheid 2. afmeting loodrecht op de lengte of hoogte
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
breedte , brejte , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , brejtes , - , breedte , VB: De brejte van dat sjtök ês oongevèr 50 meter. Zw: 't Môt oét de lengte of oét de brejte koëme: op de een of andere wijze moeten de (on)kosten bestreden worden.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
breedte , bridte , breedte
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
breedte , breidje , (vrouwelijk) , breedte , ’t Kumtj oet de lingdje of oette breidje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
breedte , brèdje , zelfstandig naamwoord , brèdjes , breedte
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
breedte , brédje , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , brédjes , breedte
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
breedte , bridte , britte , zelfstandig naamwoord , breedte; Dirk Boutkan: (blz. 34) 'brite' (met vocaalkrimping)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
breedte , breidte , breedte
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal