elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: crimineel

crimineel , kriemenijl , krimmenijl , (crimineel), in: hij ʼs kriemenijl bezopen = hij is smoordronken; hij kon kriemenijl lijgen = erg liegen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
crimineel , krimmeneêl , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , 1. Ellendig, heel erg. | ’t Is krimmeneêl koud. 2. Gierig, klagerig. | ’t Is ’n krimmenêle kirrel. Het woord is een verbastering van Frans criminel = misdadig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
crimineel , krimmeneêl , zelfstandig naamwoord de , Gierigaard, klager.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
crimineel , kréminee , uitroep van schrik, ergernis of verbazing.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
crimineel , krimmeneel , krimmeneelder, krimmeneelste , misdadig. Hae is krimmeneel: hij is dronken. Dat is krimmeneel: dat is sterk!
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
crimineel , kriemenêêl , bijwoord , heel erg. Jantje Verdoezeme waar giestere wir kriemenêêl zat.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
crimineel , krimmeneel , crimineel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook crimineel = 1. crimineel Een krimmenele aanleg (Scho) 2. verbazingwekkend, geweldig Het is een krimmeneel geval (Row), Noe is het toch krimmeneel de sikke is alweer los (Bco), Krimmeneel wat ain kaaste van ain huus (Vtm), Ie hebt een krimmeneel mooi peerd ekocht (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
crimineel , krimmeneel , crimineel crimineel , de , krimmenelen , Ook crimineel = crimineel Wat is dat een krimmeneel (Gie)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
crimineel , krimmeneel , krimmenele , uitroep van verbazing
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
crimineel , krimmeneel , zelfstandig naamwoord , crimineel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
crimineel , kriemeniil , misdadig, geweldig , Wa is de wirreld toch vórt kriemeniil, ooveral is'ser gewèld én diksenté um n'n niks. Wat is de wereld toch voort misdadig, overal is er geweld en dikwijls om futiliteiten.
Wa hange'ner toch 'n bérziej kiirze ôn d’n bóóm dees jaor, t’is kriemeniil. Wat hangen er toch geweldig veel kersen aan de boom dit jaar, het is geweldig.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
crimineel , krimmenee , tussenwerpsel , uitroep van verwondering
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
crimineel , krimmeneel , krimineel , bijvoeglijk naamwoord , 1. crimineel: m.b.t. misdrijven 2. buitengewoon, geweldig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
crimineel , crimmenêêle , tussenwerpsel , uitroep van verbazing Crimmenêêle nog an toe! Allemachtig!
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
crimineel , krimmeneel , bijvoeglijk naamwoord , geweldig, kasueel (krimmeneel heeft niets met criminaliteit te maken) Het is krimmeneel hoe die ’t voor mekaor kreeg
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
crimineel , krimmeneel , bijvoeglijk naamwoord , stomdronken
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
crimineel , [verbazend] , kriemenelig , verschrikkelijk, verbazend (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
crimineel , [bijzonder] , krimmeneel , heel bijzonder, apart.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
crimineel , krimmeneel , bijwoord , vreselijk (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
crimineel , krimmeneel , krimmenieël , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); buitensporig, geweldig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
crimineel , krimmeneel , tussenwerpsel , uitroep; crimineel!; Die is wèl getrouwd! Mee 'n dochter van Door de Vries en dè wit-ie-zelf ook, want ie hee twaalf gegooid hurre! Krimmeneel wen vrammes is dè! (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929); Cees Robben – Krimmeneel.... Wèn paoskiep...... (19560331)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal