elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: daghuur

daghuur , daghuur , dagloon; ter onderscheiding van: in annomen wark, in daghuur arbaiden; dʼr zitten ʼn bult daghuren in = dat gebouw, dat werk, enz. heeft veel aan arbeidsloon gekost; ʼn daghuur verdijnen, in ʼt algemeen: iets verdienen met werken, dat bij den dag betaald wordt; de dikste daghuren mitnemen, van lösse arbaiders gezegd, zooveel als: zulk werk bij den boer verrichten waarmede het meest verdiend wordt, bv. zichten, maaien, enz. Zuid-Nederlandsch dagheure, daghuur = dagloon.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
daghuur , daghuur , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze om de daghuur moete, als dagloner moeten werken. Verkleinvorm daghuurtje, in de zegswijze ’n pittig daghuurtje verdiene, een aardig dagloontje (bij)verdienen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
daghuur , daghuur , 1. geld dat een daghuurder per dag verdient. 2. werkzaamheden per dag, b.v. op daghuur goan = zich beschikbaar stellen voor werkzaamheden per dag.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
daghuur , daghuur , geld dat een dagloner verdient.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
daghuur , daghuur , de , daghuur Hij geet op een daghure en de verdeensten bint ook neet al te dikke (Rui), Dei man gait op daghuur (Bov), Het is een heel wark, dat stenen bikken, mor denk er um, dat e der een goeie daghuur met verdient (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
daghuur , dag-ure , dagloon
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
daghuur , daghure , dagure , zelfstandig naamwoord , de 1. daghuur, werk waarbij men op een dag of elke dag verdient/ontvangt 2. het geld dat men met een daghuur verdient
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
daghuur , daogeur , zelfstandig naamwoord , daggeld , (vero.) Zw: 1. 'r Wërkde neet ién daogeur meh ién 't verdyng ( in accoord) 2. Dich hebs 'n daogeur gemak: wanneer er iets gebeurt dat je geld gaat kosten. Ook positief: de hebs 'n gooj daogeur gemak;
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
daghuur , daaghäör , dagloon
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal