elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dankbaar

dankbaar , dankbaor! , voor: dank u! ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
dankbaar , dankboar , in: ʼk bin dankboar, ook: dankboar! voor: ik dank u, zegt de geringe man wanneer hij voor iets dankt of beleefd iets afwijst; in ʼt eerste geval menigmaal: ten hoogsten dankboar. “Ten hoogsten dankbaor, ten hoogsten; – och Heere, ie hebben altied omdenken om ʼn ârm mens.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dankbaar , [dankjewel] , dankbaar! , hoort men zeggen in plaats van: ik dankje wel! Als ’n boer zijn geld ontvangen heeft, zal hij zeggen: dankbaar!
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
dankbaar , dankbaar! , hoort men zeggen in plaats van: ik dank je wel! Als een boer zijn geld ontvangen heeft, zal hij zeggen: dankbaar!
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
dankbaar , dankbaar , daankbaar , Ook daankbaar(Zuidwest-Drenthe) = 1. dankbaar Wij bint er dankbaar, ...dankber veur, daw het beleefd hebt (Sle), Dat is dankbaor waark (Row) 2. aangenaam zachtzuur (Zuidwest-Drenthe, zuid) Die appels smaakt daankber, het bint gien zoeren (Hgv) 3. dank u (veroud.) Nou, dankbaor heur! (Vri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dankbaar , daankber , dankber , bijvoeglijk naamwoord , 1. met dankbaarheid, met erkentelijkheid 2. voldoening gevend, de moeite waard
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dankbaar , daankber , bijvoeglijk naamwoord , dankbaar , (laatste lettergreep is betoond) VB: De maan wäor toch zoe daakber dat ich z'nne zoën die baon bezörg haw.; lonend (de moeite rijkelijk lonend)daankber VB: Ién ty de moostem gèje, dat ês 'n daankber wérk.; voldoening daankber, Vb: Dat ês 'n daankber blömke, 't bleujt van mèi tot oktober; daankbêtter ëter kieskeurig (een niet kieskeurig eter) 'nnen daankberren ëter VB: De hebs sjpats vuur dè te koëke, 't ês 'nne daankberren ëter.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal