elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dedderen

dedderen , deddere , werkwoord , dedderde, gededderd , rondstappen , (rondstappen in de modder) deddere VB: 't Jûingske wäor doer de pratsj aon 't deddere.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
dedderen , dèddele , dèddere , zwak werkwoord , knoeien; Henk van Rijen: dèddere = sudderen; Henk van Rijen: Vur mèn meuge ze nèt zolang dèddere tòt er rôome van komt - Wat mij betreft mogen ze wachten tot ze een ons wegen; WBD III.4.4:09 'dedder' = dril, ook 'druddel'; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 - DEDDER zelfstandig naamwoord.m. - dun slijk, modder. DEBBEREN; Bosch dèddel - geknoei; dèddele – knoeien in slijk en modder trappelen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal