elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: desem

desem , deesem , (mannelijk) , deesem.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
desem , deisem , mannelijk , deesem.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
desem , dèisem , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , desem , VB: De kêns broed mäoke mêt gés en mêt dèisem, ich vên dat mêt dèisem lekkerder.; poep (gezegd van kinderen) dèisem VB: Fôj, hèt mich dè weer 'nne mörtel dèisem ién z'nnen dook hange.; zuurdesem dèisem
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
desem , deîsem , zelfstandig naamwoord, mannelijk , desem
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
desem , dissem , zelfstandig naamwoord, mannelijk , desem; waarschijnlijk door Robben bedoeld als ‘uitwerpselen’; Cees Robben – Den dissem uit den pot... (19650917)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal