elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: desondanks

desondanks , desondanks , bijwoord , desondanks Hij was slim ziek en desondanks gung e met (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
desondanks , desondaanks , voegwoord, bijwoord , desondanks
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
desondanks , desoondaanks , bijwoord , desondanks , desoondaanks VB: Ze ês hëur gaans lëve krénkelik gewès, meh desoondaanks ês ze toch nog 82 woerde.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal