elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: diggel

diggel , diggel ,  diggels , 1. aardewerk. Het Gron. diggelschip = potschip = scheepje waarmede men rondvaart om aardewerk te venten. Zie: diggels. 2. scherven, alleen als speelgoed voor kinderen, gelijk deze zich ten platten lande veelal daarmede vermaken. Gron. Friesch Oostfr. diggel = potscherf, stuk van gebroken aardewerk; op Marken diggels = scherven. Westf. diegel = tegel; OHD. dehil, degil = potaarde; HD. Tiegeltopf, Noordfr. dogelpott = aarden pan. Beiersch tegel = potaarde. Vergel. schaorde, en: diggel.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
diggel , diggel , (vrouwelijk) , diggels , [weinig gebruikelijk] scherf.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
diggel , diggel , (vrouwelijk) , diggels , scherf.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
diggel , diggel , potscherf, stuk van gebroken aardewerk; potdiggel = pandiggel = scherf van een pot (of: pan); diggels ook = stijngoud = aardewerk, waarvan: diggelschip = potschip, en diggelschipper, stipdiggel, enz. evenwel steeds: stijngoudswief of pottenpanjer = vrouw die aardewerk bij de huizen verkoopt. Drentsch diggel = aardewerk; Friesch, Oostfriesch diggel = potscherf. Drentsch diggels = scherven, alleen als speelgoed voor kinderen; Marken diggels – scherven; Oud-Hoogduitsch dekil, degil = scherf, Beiersch. tegel = potaarde; Hoogduitsch Tiegel = aarden vaatwerk; Tiegeltopf, Noordfriesch dagelpott = aarden pan. (v. Dale: diggel, meervoud diggelen = scherf. Tollens bezigt het in de beteekenis van stukje, schilfer, in: Een diggel van zijn troon te breken.) – diggel, nauw verwant met: tegel, Hoogduitsch Ziegel (gebakken steen), en: tichel, in: tichelsteen; Hoogduitsch Ziegelstein, en in ’t Groningsche tichelwark, ticheln, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
diggel , diggel , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Meest in het meerv. diggels. Scherf van gebroken vaatwerk. || Pas wat op met ’t vaten wassen, aârs maak-je weêr diggels. De pot leit an diggels. – Het woord is in vele andere streken bekend (N.-Holl., Friesl., Gron., enz); VAN DALE heeft als meerv. diggelen. Deze vorm vindt men ook bij ROEMER VISSCHER, Sinnepoppen 39. – Vgl. opdiggelen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
diggel , diggels , scherven
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
diggel , diggel , zelfstandig naamwoord de , Scherf van aardewerk, glas of porselein. Vgl. Fries diggel. Meervoud diggele. Grof aardewerk, potten en pannen (verouderd). Zegswijze de diggele bai mekaar houwe, goed op zijn zaken passen, niets verloren laten gaan. – An diggele, aan scherven, aan gruzelementen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
diggel , diggel , de , diggels , scherf Hij was zo bezopen, hij sluig de haile boudel an diggels (Vtm), Mien hiele servies lig an diggels, het bint allemaole schaorten (Dwij), Baok gooien deden wij met diggels in plaots van centen (Sle), ... de bloempies waren dan zo te zeggen munt en de witte kaant kruus of niks (Rol), Diggels op pottien spel, waarbij je scherven in een kuiltje gooide. Als het bloemmotief boven lag, was het spel gewonnen (Bui), zie ook schaorte
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
diggel , diggel , zelfstandig naamwoord , de; diggel, scherf van aardewerk of porselein, door kinderen vaak gebruikt om mee te spelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
diggel , digkel , zelfstandig naamwoord mannelijk , digkele , digkelke , kootbeentje , (kootbeentje van bijv. schapen) digkel VB: digkele woerte vreuger es sjpuülgood gebruk.; diggelen (aan diggelen) ién digkele
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal