elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: diggelen

diggelen , diggêln , aarde- of glaswerk breken = diggels moaken; zij het weer wat diggelt, of: – weer diggels moakt = zij heeft weer een kopje, glas of pot (enz.) laten vallen, zóó, dat het in vele stukken gebroken is.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
diggelen , diggeln , zwak werkwoord, overgankelijk , (Noord-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe) = 1. kapot vallen Jongen laot vaok meer diggeln as olden (Eex), Hij luit de heile boudel diggeln (Row), Ik heb de radio laoten diggeln (Don) 2. spel met scherven, vergelijkbaar met centgooien of streepgooien (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) 3. spannen (Zuidwest-Drenthe, noord) Het diggelt er umme (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
diggelen , diggelen , werkwoord , bep. spelletje spelen met diggels (waarbij men op diggels werpt die op een paaltje liggen)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
diggelen , digkele , werkwoord , digkelde, gedigkeld , kinderspel , (bep. oud kinderspel) digkele VB: Keender digkelde mêt de knuükskes oét de puu van sjëup, gèite en vérekes. 't Versje wat daobié woerd opgezaag wäor: Digkel, digkel laks. Lik 't mich neet, daan lik 't de kats.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal