elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: directeur

directeur , dirrekteur , mannelijk , dirrekteure , directeur.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
directeur , direkteur , dirrekteur, dirkteur , zelfstandig naamwoord , de; directeur
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
directeur , dirrekteur , zelfstandig naamwoord mannelijk , dirrekteurs , - , dirigent , (van harmonie) dirrekteur VB: De dirrekteur gief de lierlinge epäort solfège-lês.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
directeur , dirrikteur , zelfstandig naamwoord , dirrikteurs , dirrikteurke , 1. directeur 2. dirigent van de harmonie/fanfare
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
Directeur , Dirrukteur , Dirk Kuijt, Feyenoord, na zijn terugkeer in de Kuip in 2015
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal